De Griekse tragedie is nog niet voorbij. Recent steeg de rente op Griekse overheidsobligaties (met een looptijd van 10 jaar) tot boven de 8%, bijna 5% hoger dan wat de Duitse regering voor haar overheidsleningen betaalt[1]. De Griekse problemen lijken dan ook moeilijk om alleen te bekampen. Het terugdringen van het begrotingstekort in de context van een krimpende economie is uiterst heikel, waarbij de geplande besparingen op hun beurt de economische groei kunnen aantasten. De laatste tijd circuleren dan ook nieuwe pistes voor de Griekse problematiek: stap (of gooi ze) uit de eurozone en laat de Griekenland weerom een eigen monetaire politiek voeren. Grosso modo zijn er hiervoor twee centrale argumenten. Enerzijds willen sommigen (waaronder) de Duitse bondskanselier Angela Merkel van Griekenland een symboolkwestie maken: in de eurozone moet er respect zijn voor begrotingsdiscipline[2]. Men wil een voorbeeld stellen. Financiële ‘steun’[3] leveren aan ‘slechte leerlingen’ is dan ook uit den boze. Griekenland nu ondersteunen zou aanleiding geven tot zogenaamde ‘moral hazard’, waarbij sommige landen (men denkt meteen aan de Zuid-Europese) het niet ernstig zouden nemen met de stabiliteit van de euro. Sommige economen[4] voegen daar aan toe dat Griekenland best wel baat zou hebben bij een herinvoering van een nationale munt. Griekenland kampt nu met een vrij dramatisch tekort op zijn handelsbalans en een devaluatie van de munt lijkt dan ook aangewezen, alleen is dat onmogelijk in de eurozone (met één gemeenschappelijke munt). Dit blogstuk wil echter aantonen dat een dergelijke piste een waanidee is, dat niet enkel Griekenland maar ook een deel van de eurozone in haar val kan meesleuren.
Allereerst gaan we in op de risico’s voor Griekenland, namelijk dat een eigen Griekse munt meteen crasht na introductie, wat aanleiding zou geven tot aanzienlijke financiële onzekerheid. Daarnaast zullen ook de rentevoeten op de Griekse staatsobligaties niet dalen door deze maatregel, integendeel. Het is vrij waarschijnlijk dat de financiële markten niet enkel een risicopremie zullen eisen tegen wanbetalingen (een zogenaamde ‘default’), maar ook tegen muntdevaluaties. Het is immers zo dat wanneer een overheid zijn munt devalueert, de belegger op het einde van de looptijd van de obligatie minder geld terugziet in koopkrachttermen. De beleggers zullen hier dan ook op voorhand op anticiperen.
Daarnaast dreigen ook andere landen uit de eurozone schade te lijden bij een dergelijk scenario. Allereerst wordt hierbij een signaal gegeven aan de financiële markten dat de eurozone tegen elkaar uit te spelen valt. De kans is dan ook reëel dat de beleggers meteen geld zullen proberen te verdienen door te speculeren tegen de Portugese, Spaanse en Italiaanse staatsobligaties. De instabiliteit in de eurozone zal dus enkel toenemen door een exit van Griekenland uit de eurozone. Ook andere landen uit de eurozone lopen echter risico. De financiële markten kunnen immers, in al hun creativiteit, een risicopremie vragen voor deze zogenaamde ‘opt out’. De meeste landen uit de eurozone zullen dan ook geconfronteerd worden met hogere rentevoeten.
Samengevat kunnen we stellen dat we sowieso geconfronteerd worden met de Griekse problemen, of we dat nu willen of niet. Alle landen uit de eurozone (misschien met uitzondering van Duitsland) hebben dan ook belang bij een snelle oplossing van de Griekse financiële crisis en een spoedig herstel van de Griekse economie, alleen lijkt het huidig Europees reddingsplan hiervoor ontoereikend. Zoals ik al in een eerder blogstuk heb aangehaald, moet er werk gemaakt worden van gezamenlijke EU-obligaties gecombineerd met een scherper maar ook verstandiger toezicht op de Europese begrotingen.
Dit blogstuk verscheen op 26 april op Poliargus.
[4] Koen Schoors lijkt deze optie te suggeren in: Koen Schoors (2010). Van de (Griekse) krekel en de (Duitse) mier. De Morgen, 26 maart 2010.

