De grootste sterkte, maar tegelijk ook de belangrijkste zwakte van het boek : Robert Skidelsky is in de eerste plaats historicus en slechts in de tweede plaats econoom. Zo stelt de auteur zelf: “An important advantage I would claim for this book is that, although its subject matter is mainly economics, it is written from a vantage point outside of that of the economics profession. … The advantage I would claim is that of not having been brainwashed to see the world as most economists view it: I have always regarded their assumptions about human behavior as absurdly narrow. … I have come to see economics as a fundamentally regressive discipline, its regressive nature distinguished by increasingly sophisticated mathematics and statistics”. De auteur kijkt dus vooral vanuit een menswetenschappelijke bril naar de economische wetenschappen. Tegelijkertijd is dat meteen het zwakke punt van het boek, zoals hij zelf stelt: “I find mathematics and statistics ‘challenging’.” Wie dus op econometrisch bewijs zit te wachten dat Keynes ‘gelijk had’ blijft dus enigszins op zijn honger zitten. Wie echter een overzicht wenst van de voornaamste stellingen van het ‘Keynesianisme’ wordt wel op zijn wenken bediend.
Aangezien het boek dateert van 2009, begint de auteur eerst met zijn ‘lezing’ van de financieel- economische crisis. Zo vertelt hij het ondertussen bekende verhaal van crashende woningprijzen die aanleiding gaven tot een wereldwijde ‘credit crunch’ (het volledig opdrogen van het financieel verkeer). Hij brengt het relaas van toenemende financiële ‘innovatie’: steeds meer ‘sub-prime’ (lees: ‘weinig kredietwaardige’) Amerikanen gingen hypothecaire leningen aan. Het risico dat hiermee gepaard ging werd door de banken verspreid over verschillende financiële producten: securitisatie. Deze ‘securities’, met verschillende hypothecaire leningen als onderpand, werden door de uitgevende bank dan weer verkocht. Dat verklaart waarom de sub-prime hypotheken een grote rol speelden bij een groot aantal financiële derivaten. De ‘securitisatie’ van hypothecaire leningen werd mogelijk door een drietal dereguleringsinitiatieven: de herziening van de Glass-Steagall Act waardoor gewone banken ook financiële derivaten mochten aanbieden, de beslissing van de Clinton administratie om ‘credit default swaps’ (een soort ‘verzekering’ tegen wanbetaling) niet te gaan reguleren, en de beslissing van de VS om de reserveverplichting voor banken te verlagen. Het valt echter wel op dat de auteur niet echt ingaat op mogelijk ‘diepere’ oorzaken van de crisis, zoals opeenvolgende cycli van industrieel en financieel kapitalisme waarbij de overgang wordt gekenmerkt door een periode van crisis[1].
Vervolgens beschrijft Skidelsky de reactie van verschillende Westerse regeringen: het redden van de banken en het in het leven roepen van verschillende ‘stimuluspakketten’. Dat zijn budgetten die de overheden vrij maken in hun begroting (vaak door het begrotingstekort uit te diepen) om de economie te stimuleren. Deze moeten echter onderscheiden worden van de zogenaamde ‘automatische stabilisatoren’: vooral sociale zekerheidsuitgaven (zoals werkloosheidsuitkeringen) stabiliseren de economie, zonder dat hierbij een expliciete beslissing van de overheid noodzakelijk is. Vooral in de ontwikkelde Europese welvaartstaten zorgden die voor een minder scherpe economische terugval. Daarnaast legt Skidelsky ook uit waarom het klassieke instrument van neoklassieke economen, het verlagen van de interestvoeten[2], niet voldoende is om de crisis te bezweren. Hiervoor bestaan twee soorten argumenten. Allereerst leidt een verlaging van de rente door een centrale bank niet noodzakelijk tot een lage marktrente (bijv. voor de consument), aangezien de banken het goedkope geld niet uitlenen, maar bij zich houden om hun balansen in orde te brengen. Daarnaast stijgt de reële rente sowieso wanneer er deflatie optreedt[3]. Zoals we gezien hebben in Japan tijdens de jaren ’90 is zelfs een nulrente dan onvoldoende om de investeringen te laten aantrekken.
De auteur heeft het ook over de reële oorzaak van de financieel-economische crisis: het falen van het economische denken. Voor hem is het onvoldoende om te wijzen op fout gedrag van verschillende actoren, zoals de overheden, de centrale banken of de rating bureaus. Fundamenteel is er meer aan de hand. Of zoals hij zelf Keynes citeert: “The ideas of economists and political philosophers, both when they are right and when they are wrong, are more powerful than is commonly supposed. Indeed the world is ruled by little else”. Foute ideeën liggen dus aan de basis van de crisis.
Volgens de premissen van de neoklassieke economie kon deze crisis onmogelijk plaatsvinden. Drie onderling afhankelijke assumpties staan hierbij centraal: de rationeel agerende mens, geloof in een ‘reële’ economische cyclus, en de ‘efficiënte financiële markt’-these. Aangezien mensen rationele verwachtingen hebben, zou er zoiets bestaan als een ‘reële economische cyclus’ waarbij werkloosheid enkel een tijdelijk fenomeen kan zijn. De redenering is dat, indien de lonen en de arbeidsmarkt volledig ‘vrij’ zijn, er eigenlijk geen werkloosheid kan plaatsvinden. Rationele mensen zullen bereid zijn om te werken voor een lager loon, indien ze weten dat ze anders geen werk zullen vinden. Werkloosheid bestaat bijgevolg enkel na het plaatsvinden van een sociaaleconomische ‘shock’ en dan enkel als tijdelijk fenomeen. Daarenboven zijn financiële markten ook efficiënt, aangezien er in de context van afwezige regulering, volledige risicospreiding bestaat. Aangezien risico’s min of meer calculeerbaar zijn, kan men zich tegen deze risico’s verzekeren (bijvoorbeeld onder de vorm van ‘credit default swaps’). Het kan inderdaad zijn dat mensen hun hypotheek niet meer kunnen terugbetalen, maar dergelijke situaties hebben een berekenbare kans en kunnen in rekening worden gebracht. Marktwerking kan in dat perspectief dan ook onmogelijk de oorzaak zijn van de crisis, aangezien de markt in de context van volledige openheid en transparantie geen fouten maakt. Er zijn tot op de dag van vandaag neoklassieke economen die de schuld niet zoeken bij de markt, maar vooral bij de Amerikaanse overheid die te lang lage rentevoeten heeft gecombineerd met soepele criteria voor kredietverlening.
Niet alle economen gaan echter uit van dergelijke assumpties. Naast neoklassieke economen heb je immers ook nieuw-keynesiaanse economen. Bekende vertegenwoordigers hiervan zijn Joseph Stiglitz en Paul Krugman[4]. Ze verwerpen de veronderstellingen van de neoklassieken niet volledig, maar stellen dat deze assumpties niet opgaan in alle omstandigheden. Zo downgraden ze de assumptie van volledige informatie en benadrukken ze bijvoorbeeld het bestaan van ‘asymmetrische’ informatie: insiders hebben een informatievoordeel op outsiders. Iemand die een lening aangaat, weet immers altijd meer dan de bank die de lening verschaft.
De auteur heeft echter vooral sympathieën voor de post-keynesiaanse school, die volgens hem het dichtst is gebleven bij het centraal vertrekpunt van Keynes: fundamentele onzekerheid. De theorieën van Keynes zijn immers ontwikkeld in de context van een diepe depressie. Mensen handelen in tijden van crisis ‘irrationeel’, doordat er fundamentele onzekerheid heerst, en versterken op die manier de economische cycli. In tijden van crisis vallen investeerders en consumenten terug op zogenaamde ‘conventionele verwachtingen’. Economische actoren zijn niet rationeel, maar spiegelen zich aan heersende conventies om hun gedrag te bepalen. Economische instellingen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. Als de OESO zegt dat de Westerse landen moeten besparen, dan ontstaat er een ongeschreven regel waar landen moeten aan voldoen. Daarnaast ging Keynes ervan uit dat er verschillende macro-economische evenwichten mogelijk zijn, ook ‘under-employment equilibra’. Hierbij kan de economie op een hoger niveau van werkloosheid uitkomen dan puur ‘structureel’ zou kunnen worden verondersteld. Zo’n situatie zou zich dan vooral voordoen wanneer investeerders door de fundamentele onzekerheid te weinig risico’s nemen en hierdoor de economie te weinig stimuleren.
Keynes, en de post-keynesianen, verwerpen dus alleszins de notie van ‘natuurlijke werkloosheid’[5]. Neoklassieke economen gaan er immers van uit dat er één enkel natuurlijk evenwichtspunt bestaat in een economie. Bij dit evenwichtspunt kan de werkloosheid niet meer worden teruggedrongen, behalve door inflatie te veroorzaken. Werkloosheid kan hierbij volgens de neoklassieken enkel worden teruggedrongen door structureel in te grijpen in je arbeidsmarkt, meer specifiek door lonen en arbeidsvoorwaarden te dereguleren. Keynes zag het natuurlijk anders. Doordat er in crisistijd een onderbenutting is van productiefactoren kan de overheid dan een tandje bijsteken om de werkloosheid te verlagen. Het verschil tussen neoklassieken en Keynes is niet zozeer de langetermijntrends, maar eerder de korte termijn en meer bepaald hoe markten reageren op schokken in de economie. Om het met Keynes’ woorden zelf te zeggen: “in the long run, we are all dead”.
In het hoofdstuk ‘The Keynesian Revolution: Success or Failure?’ beschrijft Robert Skidelsky in detail de belangrijkste verschillen tussen keynesiaanse periode en de periode erna. In de jaren ’70 werd het macro-economisch beleid niet minder dan ‘op zijn kop’ gezet. Waar vroeger de nadruk lag op het stimuleren van de vraag in tijden van terugval, ligt nu de nadruk op een zo efficiënt mogelijke inzet van de productiefactoren (aanbodeconomie). De naoorlogse consensus komt tot uiting in het zogenaamde Bretton-Woodsstelsel. De centrale doelstelling hierbij is creëren van volledige werkgelegenheid. De nationale overheden moeten hiervoor zorgen door zorgvuldig management van de vraag. Het budgettair beleid moet daarom ingaan tegen de economische cycli en de rente van de centrale bank moet permanent laag zijn.
De zogenaamde ‘Washington consensus’, die opkwam in het begin van de jaren ’80, gaat hier lijnrecht tegenin. Macro-economische stabilisatie moet hierbij gebeuren door monetair beleid. In tijden van economische terugval moeten de centrale banken de rente verlagen om zo de economie te stimuleren (iets wat volgens Keynes weinig nut heeft bij een serieuze terugval). Daarnaast wordt de centrale doelstelling het bestrijden van inflatie. Overheden moeten zich bijgevolg beperken tot het in evenwicht brengen van hun eigen begroting, ook al kan dat leiden tot een terugval van de macro-economische vraag. De auteur argumenteert vervolgens dat de periode 1945-1973 wel degelijk kan beschouwd worden als een economisch succes: wereldwijd is er een substantieel hogere economische groei, de werkloosheidscijfers lagen een stuk lager dan nu het geval is, de economische groei was minder volatiel en crashende munten kwam niet voor. Daarenboven werd er geen inflatieprijs betaald in die periode: de gemiddelde inflatie tussen 1950 en 1970 is gelijk aan het niveau dat we nu kennen. Nu, er moet wel vermeld worden dat een dergelijk pleidooi natuurlijk ook te kampen heeft met het gebrek aan ‘counterfactual’. Het ‘keynesianisme’ werkte immers in een heel specifieke context van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog.
Op het einde behandelt Robert Skidelsky de, volgens hem, belangrijkste lessen van Keynes voor vandaag. De voornaamste les bestaat volgens hem in ‘taming finance’. Volgens hem is het onvoldoende om aan beter ‘risicomanagement’ te doen. Wanneer men fundamentele onzekerheid serieus wil nemen, kiest men best voor een structureel restrictief financieel stelsel. Ook interessant is zijn pleidooi voor een hervorming van de opleiding economie. Vandaag de dag is immers economie verworden tot wiskundige modellering. Hierdoor is de sociale wetenschap ‘vervreemd’ en worden bepaalde fundamenten niet meer in vraag gesteld. Skidelsky stelt twee concrete veranderingen voor. Enerzijds pleit hij ervoor om elke econoom een degelijke sociale en menswetenschappelijke basis mee te geven door vakken als economische geschiedenis en filosofie een plaats te geven. Daarnaast ijvert hij voor een striktere scheiding in de hogere jaren tussen micro- en macro-economie. Vooral wat macro-economie betreft, mag de opleiding zich niet beperken tot het trainen van statistici. Dergelijke wijzigingen lijken inderdaad aan te bevelen. De huidige economische crisis brengt immers de mainstream macro-economie in diskrediet. Het éénzijdig opleiden van een hele generatie economen heeft de neoklassieke pensée unique waarschijnlijk alleen maar verstrekt. Hopelijk creëert de crisis wat ruimte voor debat binnen de economische wetenschap, maar ook tussen economen en sociale wetenschappen en ‘last but not least’ tussen de samenleving en de economie. Waar moeten economen vooral naar streven? In welke mate moet economische efficiëntie absoluut worden nagestreefd? Om met een boutade af te sluiten: ‘never waste a good crisis’.
Deze tekst verscheen eerder op Poliargus.
[1] De auteur geeft vooral de indruk dat indien we de voorschriften van Keynes zouden zijn gevolgd, de huidige crisis niet zou zijn losgebroken. Deze visie wordt vooral bekritiseerd door marxistische economen die stellen dat crisissen ingebakken zitten in de kapitalistische economie en vaak de overgang inluiden van industrieel naar financieel kapitalisme (of omgekeerd). De Italiaan Giovanni Arrighi is een bekende vertegenwoordiger van deze zienswijze.
[2] Interestvoeten beïnvloeden het spaar- en investeringgedrag van mensen. Wanneer de rente laag is, wordt sparen ontmoedigd en wordt investeren voordeliger. Op die manier kan een daling van de rente door de centrale bank de economie stimuleren.
[3] Deflatie is een synoniem voor ‘negatieve inflatie’ en betekent dat de gemiddelde consumptieprijzen dalen. Wanneer de gemiddelde prijzen dalen, stijgen de reële rentevoeten sowieso aangezien de nominale rente niet onder nul kan gaan.
[4] Paul De Grauwe kan enigszins beschouwd als een Belgische vertegenwoordiger van deze school.
[5] ‘Natuurlijke werkloosheid’ wordt soms ook met de term NAIRU (Non-Accelerating Inflation Rate of Unemployment) aangeduid.

De Griekse financiële crisis kan mogelijk een impact hebben op de institutionele structuur van de Europese Unie. Verschillende commentatoren benadrukken de laatste tijd dat een munteconomie zonder een gezamenlijk economisch beleid vroeg of laat op de klippen loopt. Onlangs stelde de Europese Commissie plannen voor om voortaan scherper toezicht te houden op de begroting van de lidstaten. Voortaan zouden de lidstaten eerst een ontwerpbegroting moeten indienen bij de Europese Commissie vooraleer deze door de nationale parlementen besproken worden. Daarnaast wordt ook de piste van sancties geopperd voor ‘hardleerse’ overtreders van het stabiliteitspact
[1]. Dit blogstuk hoopt enkele nuances aan te brengen in het debat over een ‘economische regering’ voor de eurozone. Allereerst wordt gesteld dat het huidig stabiliteitspact te weinig rekening houdt met de cycli in de economie, daarnaast wordt er gepleit voor een democratisering van de Europese politieke structuren. Aangezien zo’n Europese regering immers een sterke invloed zal hebben op het economisch beleid van de lidstaten lijkt het cruciaal dat de Europese burger ook de beslissingen van zo’n economische regering kan beïnvloeden.
Eerst gaan we in op de begrotingsdoelstellingen die de Europese Unie oplegt (of wil opleggen) aan de lidstaten. Het zogenaamde ‘stabiliteitspact’ schrijft voor dat het begrotingstekort van de lidstaten maximaal mag oplopen tot 3% van het BBP en dat tevens de overheidsschuld moet worden teruggedrongen tot 60% van het BBP. Op die manier zou de stabiliteit van de gezamenlijke munt moeten worden verzekerd (aangezien er impliciet wordt uitgegaan van de link tussen overheidsbestedingen en inflatie). Dit pact houdt echter volgens mij te weinig rekening met de economische conjunctuur. In goede economische tijden is een structureel tekort op de overheidsbegroting (zelfs één van 3%) niet te tolereren, in mindere economische tijden (zoals nu het geval is) is een tekort op de overheidsbegroting wel verdedigbaar en misschien zelfs wenselijker dan een evenwicht (zie ook het essay ‘Het streven naar het begrotingsevenwicht: een dogma?’). Het budgettair beleid van staten moet ‘contracyclisch’ georiënteerd zijn: buffers aanleggen in de goede tijden en die buffers later gebruiken om de economie te stabiliseren. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft zo aangetoond dat de stijgende kosten die Europese overheden hebben door de crisis (vooral in de sociale zekerheid) een aanzienlijk stabiliserend effect hebben gehad op de Europese economieën[2]. In de huidige context pleiten om op korte termijn de begrotingen hard te saneren, zal dan ook zeker zijn impact hebben op de reële economie en dreigt het Europese continent in een (nog) diepe(re) economische recessie te duwen. Deze vrees is heel erg reëel voor de Zuid-Europese landen.
Daarnaast kunnen er ook vanuit democratisch perspectief vraagtekens worden geplaatst bij de voorstellen van de Europese Commissie. Zo kan beargumenteerd worden dat de huidige Europese constructie met een aanzienlijk democratisch deficit kampt[3]. Dat ‘deficit’ hangt samen met de manier waarop de Europese Unie vandaag is georganiseerd: enerzijds is er een klassieke ‘intergouvernementele’ component (lees: de nationale staten), anderzijds is er ook een ‘supranationale’ (of bovenstatelijke) dynamiek (zoals het Europees parlement en de Europese Commissie). Het democratisch probleem van de EU vloeit voort uit twee zaken: enerzijds spelen Europese thema’s geen rol in de nationale verkiezingen, anderzijds overschaduwen nationale thema’s de Europese verkiezingen (meestal wordt de zittende regering afgestraft). Er is met andere woorden een gebrek aan verantwoording op het Europese niveau. Dat hangt ook samen met het feit dat de Europese Commissie niet functioneert zoals een gewone regering met een parlementaire oppositie. Hierdoor ontstaat het (deels terechte) beeld bij de kiezer dat ze de koers van de Europese Unie niet kunnen beïnvloeden. De bovenstaande kritieken moeten dan ook in het achterhoofd worden gehouden wanneer nagedacht wordt over meer ‘economic governance’ voor de eurozone. Enerzijds zijn gezamenlijke spelregels niet meer dan logisch, anderzijds vormt de technocratische bestuurswijze van de EU een gevaar voor de democratie. Ik ben voorstander van een Europese economische regering, maar dan moet de Europese kiezer het beleid van zo’n regering kunnen beïnvloeden. Wanneer de Europese Commissie de nationale begroting wil beoordelen vooraleer de nationale parlementen dat doen, dan moet ze ook accepteren dat de kiezers ook hun positie via verkiezingen moeten kunnen beslechten. Parlementaire democratie is een systeem met vele problemen, maar de ‘economische technocratische’ kenmerken van de huidige Europese Unie vormen een gevaar voor de democratie en dreigen op termijn de legitimiteit van de Europese integratie te ondergraven.
Deze bijdrage verscheen op 17 mei 2010 op Poliargus.
[1] Europese Commissie wil greep op begrotingsbeleid versterken.
De Morgen, 12 mei 2010.
[2] Dolls, M., Fuest, C. & Peichl, A. (2009). Automatic Stabilizers and Economic Crisis: US vs. Europe. CESifo Working Paper Series No. 2878.
[3] Zie ook: Pintelon, O. (2009). De paradox van het Europees democratisch deficit. Samenleving en Politiek. 16 (5), 22-35.