Boek: Maes, J. (2010). Uw sociale zekerheid in gevaar.
Het boek is opgebouwd uit drie delen. Allereerst wordt kort de geschiedenis van de Belgische sociale zekerheid uit de doeken gedaan. Voor sommigen is dat een ondertussen gekend verhaal. Rond de eeuwwisseling ontstonden de ‘maatschappijen van onderlinge bijstand’ die later door de overheden werden gesubsidieerd. Vooral het ‘Ontwerp tot Sociaal Pact’ zorgde in 1944 voor een doorbraak, namelijk door de werkloosheids- en ziekteverzekering te verplichten (voorheen was een verzekering op vrijwillige basis mogelijk). Opmerkelijk is dat de overheid, aldus de auteur, al van in het begin 20% tot 30% van de socialezekerheidsuitgaven bijpaste. De ‘alternatieve financiering’ is dus geenszins een nieuwe praktijk.
Twee andere historische trends verdienen ook onze aandacht. Allereerst is er de erosie van de Belgische uitkeringen. Zoals reeds aangetoond in onderzoek van het Centrum voor Sociaal Beleid (UA), is er over een langere periode sprake van een ‘welvaartserosie’ van de Belgische uitkeringen. De auteur wijst hiervoor vooral naar ‘de hakbijl van centrumrechts’ in de jaren ’80. De daling van de gemiddelde vervangingsratio is grotendeels het gevolg van drie zaken: 1/ de grotere selectiviteit, waardoor het verschil tussen maximum –en minimumuitkering daalde; 2/ de ‘gezinsmodulering’, zijnde lagere uitkeringen voor niet-gezinshoofden; 3/ de imperfecte koppeling van de uitkeringen aan de welvaart. Opmerkelijk is dat de verlaging van de uitkeringen voor samenwonenden werd doorgevoerd door de SP’er Roger De Wulf (1980), wat meteen de noemer ‘hakbijl van centrumrechts’ wat nuanceert. Na de jaren ’80 was er vooral sprake van een langzame erosie, omdat de uitkeringen enkel gekoppeld zijn aan de gezondheidsindex en niet aan de lonen. Sinds het Generatiepact kwam hierin wat verandering door de invoering van een welvaartspakket dat de sociale partners bij elk IPA mogen gebruiken om de (laagste) uitkeringen licht te verhogen.
Een andere opmerkelijke trend is de steeds moeilijkere budgettaire situatie voor de socialezekerheidskassen. Ondanks de toename van de ‘alternatieve financiering’ schuift de overheid steeds vaker de factuur door naar de sociale zekerheid. Eén van de opmerkelijkste initiatieven op dat vlak was de ‘betonnering’ van de staatstoelage in de jaren ’90 door Dehaene. De hoogte van die toelage werd gedurende een aantal jaar ‘bevroren’ op een vast, nominaal bedrag en overschotten werden niet behouden binnen de sociale zekerheid. Daarnaast werd de kostprijs van heel wat werkgelegenheidsprojecten ten laste gelegd van de sociale zekerheid, zonder dat ze hiervoor financieel werd gecompenseerd. Een voorbeeld hiervan was de 3 miljard euro verlaging van de patronale bijdragen onder paars-groen, wat bovendien slechts beperkte werkgelegenheidseffecten genereerde.
Het tweede deel van het boek buigt zich over vier actuele thema’s: de financiering van de sociale zekerheid, de vergrijzing, de ‘defederalisering’ van de sociale zekerheid en de ‘nieuwe sociale kwesties’. Het is onmogelijk om in deze bespreking alles in detail te behandelen, hier zal ik me toeleggen op de vergrijzingsproblematiek. De opmerkelijke resultaten van een enquête blijven mij bij. Onderzoek van Prof. Schokkaert (KUL) toont aan dat mensen hogere sociale bijdragen verkiezen boven een hogere pensioenleeftijd. Het toont aan dat mensen veel waarde hechten aan onze wettelijke pensioenleeftijd (65) en daar ook willen voor betalen indien nodig. Jef Maes stelt dan ook voor om de sociale bijdragen voor zowel werknemers als werkgevers te verhogen met 1% om op die manier de vergrijzing op te vangen en om de wettelijke pensioenen te verhogen. Het voorstel is een interessante piste, aangezien zekerheid over de toekomst van de wettelijke pensioenen de vraag naar aanvullende pensioenen kan temperen en bijgevolg ook de kost ervan. De suggestie dat op die manier de wettelijke pensioenen naar 75% van het laagste lonen kunnen gaan is mijn inziens wel totaal onrealistisch, wegens onbetaalbaar (toch zeker enkel met deze maatregel). Daarnaast ben ik de mening toegedaan dat deze maatregelen best gecompenseerd zouden worden door bepaalde zaken (zoals kinderbijslagen of medische kosten) uit de sociale bijdragen te halen om er zo voor te zorgen dat, vooral voor de laagste lonen, de ‘sociale lasten’ niet stijgen.
Het laatste deel van het boek staat vol met concrete beleidssuggesties. Voor een deel zijn dat gekende vakbondsstandpunten: uitfilteren van de lastenverlagingen, afschaffing van de notionele interestaftrek, betere inning van de belastingen … Toch is er één beleidsaanbeveling mij bijgebleven, wegens enigszins ‘gewaagd’. De auteur heeft het zo over het Matteüseffect in de kinderbijslag. Gezinnen met een hoog inkomen halen relatief veel profijt uit deze socialezekerheidstak, aangezien hun kinderen langer thuis blijven wonen. Jef Maes stelt daarom een fiscalisering van de kinderbijslagen voor. Nu worden deze niet opgeteld bij het belastbare inkomen. In zijn voorstel wordt er dus niet echt gekozen voor een selectieve kinderbijslag, maar wordt het stelsel toch ‘performanter’ gemaakt. Deze maatregelen zou ongeveer twee miljard euro opleveren voor de staatskas.
Kortom, het boek is mij bijgebleven als een aanrader dat heel wat voer voor discussie bevat. Toch blijf ik wat op mijn honger zitten. Allereerst is er de kwestie van werkgelegenheid, in het bijzonder voor kansengroepen (laaggeschoolden, allochtonen, ouderen …). Hoewel de auteur expliciet verwijst naar deze problematiek, blijft hij naar mijn mening wat te veel op de vlakte. De vakbonden zijn terecht kritisch voor de piste van ‘flexibele’ lonen en arbeidsvoorwaarden, maar hebben ook weinig andere concrete beleidsvoorstellen. Wellicht ligt een deel van de oplossing in gerichte subsidiëring en selectieve verlaging van de sociale bijdragen voor de laagste lonen, maar daar staat dan weer een kostenplaatje tegenover. Ten tweede zijn de voorstellen op het vlak van de uitkeringen voor mij onvoldoende. Het huidig systeem van welvaartaanpassingen, sinds het Generatiepact in voege, is ontoereikend om de uitkeringen op peil te houden. Simulaties van het Planbureau tonen aan dat in de toekomst de kloof tussen lonen en uitkeringen alleen maar zal toenemen. Ten slotte heb je de vergrijzingsproblematiek. De voorgestelde maatregelen zijn mogelijk (waarschijnlijk) onvoldoende om de volledige kost van de vergrijzing op te kunnen vangen. Tegen 2030 moeten we immers rekenen op een extra kost van 3% van het BNP, tegen 2050 mogelijk zelfs 6%. Maar zoals de auteur zelf zegt: “niets was of is onmogelijk, het is een kwestie van maatschappijkeuze”.
Deze bijdrage verscheen eerder in Oikos.
