Archief voor november 2008

De wedergeboorte van Keynes en het failliet van het neoliberalisme

Het is en blijft voorlopig koffiedik kijken over de gevolgen van de huidige kredietcrisis. Eén ding staat echter zeker vast: het debat zal ontstaan over de oorzaken van de crisis en hoe een dergelijke crisis in de toekomst kan vermeden worden. In dit opiniestuk wordt gepleit voor een herwaardering van de economische ideëen van John Maynard Keynes en bijgevolg voor een radicale koerswijziging in de internationale economische architectuur. Sinds de jaren ’80 wordt immers hetzelfde beleid gevoerd waarvan economen lange tijd dachten dat de crash van Wall Street van 1929 deze definitief had gediscrediteerd. Het lijkt erop dat Aldous Huxley het weer bij het rechte eind heeft: ‘Er kan maar één les getrokken worden uit de geschiedenis en dat is dat mensen geen lessen trekken uit de geschiedenis’.


cycli in het economisch denken

In het economisch beleid van landen doen er zich opmerkelijke cycli voor. Afwisselend waren de staat of de markt de centrale focus van het economische beleid. Deze cycli leggen de nadruk op het relatieve karakter van de economische kennis en wijzen op het fundamenteel ideologisch karakter van de economische wetenschappen. De economie (en wetenschap in het algemeen) is immers vaak een uitdrukking van de ‘zeitgeist’. Het beschrijven van deze cycli zal ons even terugnemen in de tijd, maar het zal zeker functioneel zijn om de huidige crisis te kunnen interpreteren.

De (natie-)staat is een creatie van de 19e eeuw. Voor de 19e eeuw was er immers nooit sprake van een dergelijke centralisatie van de macht. Centrale actoren hierbij waren de vorsten, die een soort belichaming vormden van de nieuw ontstane natiestaat. Economisch beleid stond dan ook lange tijd in functie van deze vorsten en hun rijkdom. Internationale handel stond in het teken van het vergroten van de schatkist. Men spreekt in die context vaak over het ‘(neo)mercantilisme’. Hoe dan ook de centrale positie van de staat stond niet ter discussie. Van handelsliberalisering was dan ook geen sprake. De eerste liberaliseringgolf vond plaats tussen 1860 en 1870. Onder invloed van de opkomende handelsklasse (soms ook ‘burgerij’ genoemd) verschoof de focus in het economisch beleid terug naar de markt. De burgerij zag immers de vorsten als een bedreiging voor hun handel en vonden niet dat de monarch/staat zich nog moest bezig houden met het afromen van de handelswelvaart.

Wat veel mensen niet weten, is dat er rond de eeuwwisseling (van de 19e naar de 20e eeuw) al sprake was van de eerste economische globaliseringgolf. Die kreeg de naam ‘mondiale expansie’. Handel werd in grote mate geliberaliseerd en kapitaal kon vrijer bewegen dan ook.

Deze economische consensus kreeg een fatale klap in 1929. Toen crashte de beurs van Wall Street en stond men aan het begin van wat vaak de ‘Great Depression’ wordt genoemd. De jaren’ 30 stonden garant voor hoge werkloosheid en economische chaos. Deze context was dan ook de ideale broeihaard voor de groei van het fascisme en de vreemdelingenhaat. In die context krijgt het economisch denken van John Maynard Keynes aanhang. Een niet gereguleerde markt gaat ten onder aan zijn eigen logica, stelde hij. Overheidsingrijpen moest er voortaan voor zorgen dat vrijheid (en democratie) kon behouden worden. Centraal stond hierbij de focus op volledige tewerkstelling. In slechte tijden moest de overheid investeren om zo die tewerkstelling veilig te stellen (‘deficit spending’), in goede tijden moest de overheid sparen. Op het financieel vlak stond ‘keynesianisme’ garant voor een restrictief financieel beleid: kapitaalcontroles, vaste wisselkoersen en sterke regulering. Alles moest gedaan worden om de speculatie te vermijden en een herhaling van 1929 te verkomen.

De ideeën van Keynes werden na de Tweede Wereldoorlog dominant. De overheid/staat was de centrale actor die de markteconomie stuurde en het kapitalisme beteugelde. Deze visie slaagde erin sociale en economische doelstellingen te verzoenen bij de uitbouw van de welvaartstaten in West-Europa. Sinds de jaren ’70 en vooral vanaf de jaren ’80 kreeg echter een nieuwe ideologie de bovenhand, namelijk het ‘neoliberalisme’. Gebruik makend van de economische problemen die gepaard gingen met de oliecrisis, kwamen nieuw-rechtse leiders aan de macht in de Angelsaksische wereld. Thacher en Reagan zijn hiervan de duidelijkste voorbeelden. Hun ideologie was duidelijk: ‘markets are good, governments are bad’. Onder hun invloed werden dan ook allerlei reguleringen afgeschaft. Het neoliberalisme vertoont opvallende gelijkenissen met het economisch beleid van voor de Eerste Wereldoorlog. Vreemd genoeg werden in de jaren ’80 die regels afgeschaft die werden ingevoerd om toekomstige crises te vermijden.

gevolgen van het neoliberalisme: de terugkeer van de ‘booms en busts’

De jaren ’80 werden dan ook gekenmerkt door een terugtrekking van de overheid en de politiek. Voortaan waren politiek en economie weerom gescheiden werelden. Niet de overheid creëert de jobs, de markt doet dat. Op het financiële vlak was deregulering het nieuwe modewoord. Kapitaalcontrole werden afgeschaft en wisselkoersen werden voortaan bepaald door de markt. Gevolg hiervan was een nooit gezien verstrengeling van de wereldeconomie. Het nieuwe financieel beleid bracht echter ook een nieuwe keerzijde met zich mee. De mensheid werd getuige van een record aantal financiële crises. De meeste van deze crisissen zijn voor de modale westerling niet zo bekend, maar de gevolgen voor de getroffen mensen waren vaak desastreus. Om daar een voorbeeld van te geven na de val van Thaise munt (in 1997) werd het gemiddeld Thais loon herleid tot ongeveer 30% van zijn vroeger niveau. Hieronder vinden jullie een kort overzicht.

tabel

De liberaliseringsgolf van de laatste decennia hebben een oude wijsheid teruggebracht, namelijk dat financiële markten fundamenteel onstabiel zijn. Een markteconomie laat zich kenmerken door busts (economische neergang) en booms (economische opgang). Beide wisselen elkaar af. Neoliberalen argumenteren vaak dat de markt altijd wel een evenwicht bereikt. Dat klopt voor een deel, maar de prijs die men betaalt is vaak heel groot. Welk stabiel economisch systeem kan immers bouwen op het manisch depressief gedrag van de hedendaagse beursen? Het valt ook op dat bij elk van de bovenstaande crises de crash vooraf werd gegaan door enorme beurshausse en een ongebreideld optimisme in de financiële kringen.

nu fundamentele verandering?

Nu elk van de bovenstaande crises werden vormen van zogenaamde ‘technische regulering’ ingevoerd. Zo werd na de crash van Wall Street van 1987 de regel ingevoerd dat een beurs kon werden gesloten, wanneer er paniek ontstaat. Toch werd er nooit geraakt aan het principe dat de markt centraal stond: geen kapitaalscontroles, geen vaste wisselkoersen, geen greep van de politiek op de financiële markten. Laten we hopen dat nu dat de juiste conclusie getrokken wordt uit deze crisis. Een wijziging moet optreden ten opzichte van het zogenaamd ‘monetair trilemma’. Het trilemma houdt in dat drie doelstellingen nooit gecombineerd kunnen worden: stabiele wisselkoersen, kapitaalmarktintegratie en monetaire autonomie. Om dergelijke crisissen in de toekomst te vermijden pleit ik dan ook voor een herinvoering van de pre-1971 financiële architectuur, namelijk deze met vaste wisselkoersen en kapitaalcontroles. De financiële liberaliseringklok moet minstens ten dele worden teruggedraaid.

Conclusie is dat een markteconomie zal gereguleerd zijn of niet zal zijn. Of om het met de wijze woorden woorden van Voltaire te zeggen: het is de vrijheid die onderdrukt en de wet die bevrijdt. Gelukkig is de politiek er nu om ons te bevrijden van de financiële crisis.

De bovenstaande tekst verschijnt in de Avanti van november 2008.