Boek: Maes, J. (2010). Uw sociale zekerheid in gevaar.

De inleiding van het boek zet meteen de teneur. De auteur stelt terecht dat de sociale bescherming in België zich op een kruispunt bevindt en dat de moeilijke budgettaire situatie en de opkomende vergrijzing de sociale zekerheid onder druk (zullen) zetten. Tegelijkertijd stelt Jef Maes echter dat: “Niets was of is onmogelijk. Het is een kwestie van maatschappijkeuze”. Het boek heeft als grootste verdienste dat het een aantal problemen bij naam noemt en vanuit (klassiek) linkse hoek een antwoord poogt te formuleren. Het is een verademing om vast te stellen dat de vakbonden, Jef Maes schrijft het boek wel in eigen naam, zich wat actiever in het debat mengen en ook concrete voorstellen formuleren. Tegelijkertijd blijft de auteur wel wat stil over bepaalde aspecten, maar daar kom ik later op terug.

Het boek is opgebouwd uit drie delen. Allereerst wordt kort de geschiedenis van de Belgische sociale zekerheid uit de doeken gedaan. Voor sommigen is dat een ondertussen gekend verhaal. Rond de eeuwwisseling ontstonden de ‘maatschappijen van onderlinge bijstand’ die later door de overheden werden gesubsidieerd. Vooral het ‘Ontwerp tot Sociaal Pact’ zorgde in 1944 voor een doorbraak, namelijk door de werkloosheids- en ziekteverzekering te verplichten (voorheen was een verzekering op vrijwillige basis mogelijk). Opmerkelijk is dat de overheid, aldus de auteur, al van in het begin 20% tot 30% van de socialezekerheidsuitgaven bijpaste. De ‘alternatieve financiering’ is dus geenszins een nieuwe praktijk.
Twee andere historische trends verdienen ook onze aandacht. Allereerst is er de erosie van de Belgische uitkeringen. Zoals reeds aangetoond in onderzoek van het Centrum voor Sociaal Beleid (UA), is er over een langere periode sprake van een ‘welvaartserosie’ van de Belgische uitkeringen. De auteur wijst hiervoor vooral naar ‘de hakbijl van centrumrechts’ in de jaren ’80. De daling van de gemiddelde vervangingsratio is grotendeels het gevolg van drie zaken: 1/ de grotere selectiviteit, waardoor het verschil tussen maximum –en minimumuitkering daalde; 2/ de ‘gezinsmodulering’, zijnde lagere uitkeringen voor niet-gezinshoofden; 3/ de imperfecte koppeling van de uitkeringen aan de welvaart. Opmerkelijk is dat de verlaging van de uitkeringen voor samenwonenden werd doorgevoerd door de SP’er Roger De Wulf (1980), wat meteen de noemer ‘hakbijl van centrumrechts’ wat nuanceert. Na de jaren ’80 was er vooral sprake van een langzame erosie, omdat de uitkeringen enkel gekoppeld zijn aan de gezondheidsindex en niet aan de lonen. Sinds het Generatiepact kwam hierin wat verandering door de invoering van een welvaartspakket dat de sociale partners bij elk IPA mogen gebruiken om de (laagste) uitkeringen licht te verhogen.
Een andere opmerkelijke trend is de steeds moeilijkere budgettaire situatie voor de socialezekerheidskassen. Ondanks de toename van de ‘alternatieve financiering’ schuift de overheid steeds vaker de factuur door naar de sociale zekerheid. Eén van de opmerkelijkste initiatieven op dat vlak was de ‘betonnering’ van de staatstoelage in de jaren ’90 door Dehaene. De hoogte van die toelage werd gedurende een aantal jaar ‘bevroren’ op een vast, nominaal bedrag en overschotten werden niet behouden binnen de sociale zekerheid. Daarnaast werd de kostprijs van heel wat werkgelegenheidsprojecten ten laste gelegd van de sociale zekerheid, zonder dat ze hiervoor financieel werd gecompenseerd. Een voorbeeld hiervan was de 3 miljard euro verlaging van de patronale bijdragen onder paars-groen, wat bovendien slechts beperkte werkgelegenheidseffecten genereerde.

Het tweede deel van het boek buigt zich over vier actuele thema’s: de financiering van de sociale zekerheid, de vergrijzing, de ‘defederalisering’ van de sociale zekerheid en de ‘nieuwe sociale kwesties’. Het is onmogelijk om in deze bespreking alles in detail te behandelen, hier zal ik me toeleggen op de vergrijzingsproblematiek. De opmerkelijke resultaten van een enquête blijven mij bij. Onderzoek van Prof. Schokkaert (KUL) toont aan dat mensen hogere sociale bijdragen verkiezen boven een hogere pensioenleeftijd. Het toont aan dat mensen veel waarde hechten aan onze wettelijke pensioenleeftijd (65) en daar ook willen voor betalen indien nodig. Jef Maes stelt dan ook voor om de sociale bijdragen voor zowel werknemers als werkgevers te verhogen met 1% om op die manier de vergrijzing op te vangen en om de wettelijke pensioenen te verhogen. Het voorstel is een interessante piste, aangezien zekerheid over de toekomst van de wettelijke pensioenen de vraag naar aanvullende pensioenen kan temperen en bijgevolg ook de kost ervan. De suggestie dat op die manier de wettelijke pensioenen naar 75% van het laagste lonen kunnen gaan is mijn inziens wel totaal onrealistisch, wegens onbetaalbaar (toch zeker enkel met deze maatregel). Daarnaast ben ik de mening toegedaan dat deze maatregelen best gecompenseerd zouden worden door bepaalde zaken (zoals kinderbijslagen of medische kosten) uit de sociale bijdragen te halen om er zo voor te zorgen dat, vooral voor de laagste lonen, de ‘sociale lasten’ niet stijgen.
Het laatste deel van het boek staat vol met concrete beleidssuggesties. Voor een deel zijn dat gekende vakbondsstandpunten: uitfilteren van de lastenverlagingen, afschaffing van de notionele interestaftrek, betere inning van de belastingen … Toch is er één beleidsaanbeveling mij bijgebleven, wegens enigszins ‘gewaagd’. De auteur heeft het zo over het Matteüseffect in de kinderbijslag. Gezinnen met een hoog inkomen halen relatief veel profijt uit deze socialezekerheidstak, aangezien hun kinderen langer thuis blijven wonen. Jef Maes stelt daarom een fiscalisering van de kinderbijslagen voor. Nu worden deze niet opgeteld bij het belastbare inkomen. In zijn voorstel wordt er dus niet echt gekozen voor een selectieve kinderbijslag, maar wordt het stelsel toch ‘performanter’ gemaakt. Deze maatregelen zou ongeveer twee miljard euro opleveren voor de staatskas.
Kortom, het boek is mij bijgebleven als een aanrader dat heel wat voer voor discussie bevat. Toch blijf ik wat op mijn honger zitten. Allereerst is er de kwestie van werkgelegenheid, in het bijzonder voor kansengroepen (laaggeschoolden, allochtonen, ouderen …). Hoewel de auteur expliciet verwijst naar deze problematiek, blijft hij naar mijn mening wat te veel op de vlakte. De vakbonden zijn terecht kritisch voor de piste van ‘flexibele’ lonen en arbeidsvoorwaarden, maar hebben ook weinig andere concrete beleidsvoorstellen. Wellicht ligt een deel van de oplossing in gerichte subsidiëring en selectieve verlaging van de sociale bijdragen voor de laagste lonen, maar daar staat dan weer een kostenplaatje tegenover. Ten tweede zijn de voorstellen op het vlak van de uitkeringen voor mij onvoldoende. Het huidig systeem van welvaartaanpassingen, sinds het Generatiepact in voege, is ontoereikend om de uitkeringen op peil te houden. Simulaties van het Planbureau tonen aan dat in de toekomst de kloof tussen lonen en uitkeringen alleen maar zal toenemen. Ten slotte heb je de vergrijzingsproblematiek. De voorgestelde maatregelen zijn mogelijk (waarschijnlijk) onvoldoende om de volledige kost van de vergrijzing op te kunnen vangen. Tegen 2030 moeten we immers rekenen op een extra kost van 3% van het BNP, tegen 2050 mogelijk zelfs 6%. Maar zoals de auteur zelf zegt: “niets was of is onmogelijk, het is een kwestie van maatschappijkeuze”.

Deze bijdrage verscheen eerder in Oikos.

Nieuwe armoedecijfers in Vlaanderen: zijn de grenzen van activering bereikt?

Op 24 mei 2011 publiceerde Decenniumdoelen 2017, een samenwerkingsverband van diverse sociale organisaties, de armoedebarometer voor 2010. De cijfers zijn weerom ontnuchterend. Armoede in Vlaanderen blijft redelijk persistent en (structurele) vooruitgang is voorlopig niet in zicht. De armoedebarometer brengt de positie van de armen in kaart op zes cruciale domeinen: gezondheid, arbeid, inkomen, wonen, onderwijs en samenleven. Op de meeste van deze domeinen wordt sinds de lancering van het initiatief nauwelijks of geen vooruitgang geboekt. Enkele cijfers ter illustratie:

  • Gezondheid: 4,7% van de mensen onder de Europese armoedegrens moeten gezondheidszorgen uitstellen omwille van financiële redenen. (nulmeting: 3,9 %)
  • Arbeid: 5,9% van de kinderen groeit op in een gezin waar niemand werkt. (nulmeting: 6,5 %)
  • Inkomen: 10% van de Vlaamse bevolking heeft een inkomen onder de Europese armoedegrens[i] (nulmeting: 11,4 %) en 14,8% leeft in een huishouden dat aangeeft het moeilijk te hebben om de eindjes aan elkaar te knopen (nulmeting: 11,8 %)
  • Wonen: 34,9% van de huurders leeft in een woning van slechte kwaliteit (nulmeting: 44,6%)
  • Onderwijs: 14,1% van de 15-jarigen zijn laaggeletterd
  • Samenleven: slechts 22,8% van de mensen onder de armoedegrens is actief in het verenigingsleven (nulmeting: 20,02%)

Dat brengt ons bij de vraag naar de oorzaken van deze persistente cijfers. Eén van de oorzaken is ongetwijfeld dat armoede en sociale uitsluiting structurele problemen zijn die over het algemeen slechts heel traag veranderen. Grote sprongen voorwaarts verwachten op heel korte termijn is naïef. Toch is er meer aan de hand. Er zijn immers indicaties dat het dominante sociale beleidsparadigma mee verantwoordelijk is. Sinds de jaren ’90 is er immers meer en meer een evolutie naar een ‘actieve welvaartsstaat’. Werk is de beste remedie tegen armoede is één van de terugkerende credo’s. Meer mensen aan de slag betekent ook, aldus deze redenering, dat de sociale uitgaven onder controle blijven. Op die manier komt er dan ruimte vrij voor betere uitkeringen (alleszins in theorie). Toch wijst onderzoek op een aantal gebreken in deze, intuïtief correcte, redenering. Ik haal er hier kort twee aan[ii]:

  1. Nieuwe jobs komen niet noodzakelijk ten goede van de sociaal zwakkeren. In het wetenschappelijke jargon spreekt men over ‘jobpolarisatie’. De stijging van de participatiegraad[iii] in België bijvoorbeeld weerspiegelt vooral de verbeterde positie van de vrouw op de arbeidsmarkt. Jobs komen dus vooral terecht bij gezinnen die zich voorheen niet onder de armoedegrens bevonden, vooral omdat er voordien al iemand in het huishouden aan het werk was.
  2. Het idee van de actieve welvaartsstaat heeft in een aantal landen de uitkeringsstelsels onder druk gezet. In een aantal landen die sterk een omslag in beleid gekend hebben, waaronder Nederland, Denemarken en Zweden, hebben in de jaren ’80 en ’90 bespaard op hun uitkeringen[iv]. Eén van de kernideeën is immers dat ‘arbeid moet lonen’. De strijd tegen werkloosheidsvallen kwam dan ook centraal te staan. De klassieke, ‘passieve’ sociale bescherming heeft hierdoor aan kracht verloren.

De huidige, persistente armoede wordt dan ook mede veroorzaakt door een aantal contradicties in het discours rond de actieve welvaartstaat. Men vergeet immers te vaak dat er altijd nood zal zijn aan een hoge mate van herverdeling. Lage armoedecijfers worden niet behaald door veel werk, maar vooral door een hoogstaand sociaal vangnet, in combinatie met waardig werk.

Opmerkelijk in dit verband was de opiniebijdrage van Frank Vandenbroucke in de Morgen van dit weekend. Hij pleit voor een ‘sociaal investeringspact’ in Vlaanderen en Europa. Ondanks het feit dat hij enkele terecht zaken aanhaalt, blijft één citaat me bij. Hij stelt immers: “België is te veel een transferunie, zoveel is zeker. De vraag is hoe je op termijn minder een transferunie wordt, en meer een beschermings- en investeringsunie, dat wil zeggen een geheel waarbij het federale niveau duurzaam kan beschermen omdat de andere niveaus vooruitziend investeren.” Als je probeert verder te kijken dan de retorische hoogstandjes, lijkt hij toch aan te geven dat meer herverdeling niet aan de orde is. Hiervan akte.

Persoonlijk ben ik de mening toegedaan dat we vooral moeten nadenken over een manier om de uitkeringen beter te koppelen aan de stijgende welvaart[v]. Landen met duidelijke lagere armoedecijfers hebben immers ook hogere uitkeringen. In Nederland zijn de werkloosheidsuitkeringen 70% van het vroegere loon. In België is dat slechts 60%. Een gelijkaardig verhaal in de sociale bijstand. In Nederland is het sociaal minimum (‘leefloon’ in België[vi]) 70% van het minimumloon. Hierdoor is de hoogte van het sociaal vangnet automatisch gekoppeld aan de stijgende welvaart. Toch één enkele nuance. Het is natuurlijk niet zo dat meer mensen aan de slag een slechte zaak is. Integendeel. Uitsluiting van waardige arbeid is zonder discussie een weinig benijdenswaardige situatie, ook al zou de uitkering toereikend zijn. Meer mensen aan de slag creëert ook financiële ruimte. Het gaat er echter vooral om dat we sociaal beleid niet mogen herleiden tot ‘meer werk’. Daarnaast is het ook belangrijk om te wijzen op het belang van goede jobs. Armoede bestrijdt je immers niet door mensen te activeren in laagbetaalde, precaire jobs. Laten we hopen dat de nieuwe cijfers eindelijk de ogen openen.


[i] 899 euro voor een alleenstaande.

[ii] In deze context verwijs ik ook graag naar de tekst van Prof. Dr. Bea Cantillon: http://www.centrumvoorsociaalbeleid.be/sites/default/files/de%20paradox%20van%20de%20investeringsstaat.pdf

[iii] Vakjargon voor het aantal mensen aan de slag tussen 16 en 65 jaar oud.

[iv] In Nederland in het midden van de jaren ’80. In de Scandinavische landen vooral in het begin van de jaren ’90 (ook ten gevolge van een diepe socio-economische crisis).

[v] Voor de duidelijkheid, ik spreek hier vooral over inkomensarmoede.

[vi] In België is de hoogte van het leefloon historisch gebeurd en evolueert die mee met de stijging van de gezondheidsindex. Voor een alleenstaand bedraagt het leefloon ongeveer 750 euro.

De Europese economische plannen onder de loep

Op de Europese top van 24 en 25 maart werd het Europact definitief goedgekeurd. Op hetzelfde moment hielden de Europese vakbonden een grote manifestatie voor socialer Europa. Het wordt dan ook hoogtijd om de Europese economische plannen eens onder de loep te nemen. We onderscheiden drie pijlers van de nieuwe Europese strategie: 1/ het ‘Europees semester’, 2/ de aanscherping van het Groei- en Stabiliteitspact en 3/ het Pact voor de Euro[1]. We formuleren verschillende kritieken, zowel vanuit sociaal als vanuit economische oogpunt. Ten slotte zijn er ook bedenkingen mogelijk op het vlak van democratische legitimiteit.

Nood aan meer ‘economische coördinatie’

Het Europact vindt zijn oorsprong in de schuldenproblematiek van eurolanden als Griekenland, Ierland en Portugal. Duitsland grijpt deze ‘fiscale crisis’ aan om Europa meer greep te laten krijgen op de begrotingen van de lidstaten. De dominante analyse hierbij is tweeërlei. Allereerst zou er, volgens deze redenering, sprake zijn van ‘moral hazard’. Aangezien speculatie tegen hun munt niet langer mogelijk is, kunnen de zuiderse landen ‘ongestraft’ schulden maken. Ten tweede zou de recente eurocrisis verband houden met divergenties binnen de eurozone. Kort samengevat komt het erop neer dat de zuiderse landen te weinig exporteren, lees te weinig ‘competitief’ zijn. Voor de eerste kwaal wordt een aanscherping van de begrotingsregels voorgesteld, om economische divergenties tegen te gaan moet een Pact voor de Euro de competitiviteit van de hele eurozone aanzwengelen.

Het ‘Europees semester’ en de verscherpte begrotingsregels

De eerste pijler van de nieuwe Europese strategie bestaat uit een strenger toezicht op de nationale begrotingen van de lidstaten. In april moeten de lidstaten hun begrotingen voorleggen aan de Europese Commissie, en dat vooraleer de nationale parlementen er zich kunnen over uitspreken (!). Daarnaast zal men nauwer toezien op de naleving van het Groei- en Stabiliteitspact. Bij de invoering van de euro heeft men besloten dat nationale begrotingen slechts een tekort mogen vertonen van 3% van het BNP en dat de overheidsschuld onder de 60% moet dalen. In de toekomst zullen deze regels worden afgedwongen met sancties[2]. Op een bepaald ogenblik was er zelfs sprake van het (tijdelijk) intrekken van het stemrecht in de Raad.

Het Pact voor de Euro

Op een recente bijeenkomst van de eurolanden zag het Europact het licht. Dit pact zou economische divergenties binnen de eurozone moeten tegengaan. Op vier deelgebieden zullen de prestaties van de Europese landen worden beoordeeld. Het wordt meteen duidelijk dat Europa zijn actieterrein sterk uitbreidt en dat voortaan ook lonen en sociale zekerheid door Europa zullen worden beïnvloed. Zo zal, allereerst, de evolutie van de loonkost in de verschillende landen onder de loep genomen worden. Voor verschillende sectoren zullen de lonen in kaart gebracht worden. Het is vooral opmerkelijk dat er een overbenadrukking lijkt te zijn van de loonkost. Andere aspecten van competitiviteit, zoals onderzoek en innovatie, worden ook vermeld, maar krijgen slechts een tweederangsrol toebedeeld.

Daarnaast wil Europa de werkgelegenheid bevorderen, met specifieke aandacht voor jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid. De EU ziet duidelijk de ‘flexicurity’-aanpak als meest geschikt, wat onder meer een meer ‘soepele’ ontslagbescherming inhoudt. Vervolgens wordt een rubriek gewijd aan duurzame overheidsfinanciën. Ook hier brengt Europa een duidelijke boodschap: langer werker en een afbouw van vroegtijdige uittredingsmechanismen. Men stelt voor om de pensioenleeftijd te koppelen aan de levensverwachting. Ten slotte wordt er ook gepleit voor meer stabiliteit in de bancaire sector door de banken te onderwerpen aan stresstests.

Mag er nog debat zijn aub?

De Europese plannen lezen als een doorslagje van het verkiezingsprogramma van een centrumrechtse partij en lijken sterk beïnvloed door het recent Duits ‘werkgelegenheidswonder’. Hoewel meer Europese coördinatie onvermijdelijk lijkt, zijn er toch grote bedenkingen te plaatsen bij de Europese voorstellen. Zowel op sociaal, economisch als democratisch vlak stuiten de Europese plannen op de grenzen van het aanvaardbare.

Vanuit sociaal oogpunt kunnen verschillende vraagtekens worden geplaatst. Hoe zal deze strategie zich verhouden ten opzichte van de sociale doelstellingen van EU2020? Op welke manier zijn de strategieën compatibel met een vermindering van de armoede? Daarover wordt met geen woord gerept. Het Duitse ‘werkgelegenheidswonder’ toont hierbij zeker niet de goede weg. Sinds 2005 gaat de Duitse armoede immers, mede als gevolg van de arbeidsmarkthervormingen, in stijgende lijn[3]. Daarnaast kunnen ook legitieme vraagtekens geplaatst worden bij de concrete sociale beleidsrecepten die naar voor geschoven worden. Werkt ‘flexicurity’ immers in alle landen even goed?

Kijken we vervolgens naar de economische rationaliteit. De kritiek op de plannen is tweeërlei. Allereerst, maakt het aanscherpen van het Groei- en Stabiliteitspact een contracyclisch beleid zo goed als onmogelijk[4]. De begrotingsdoelstellingen worden vooropgesteld zonder rekening te houden met de economische conjunctuur. Hierdoor wordt het voor overheden veel moeilijker om in tijden van crisis hun ‘automatische stabilisatoren’[5] te laten werken om op die manier de crisis op te vangen. Ten tweede vertrekken de Europese plannen vanuit een verkeerde analyse en lijkt het evenwicht zoek. De huidige crisis is immers niet het gevolg van publieke schulden, maar van private bancaire schulden die werden genationaliseerd. Er moet dan ook meer aandacht worden besteed aan het structureel gezond maken van het financieel stelsel. Men krijgt meer en meer de indruk dat de banken in deze de dans ontspringen.

Een fundamentele kritiek is echter de vraag naar democratische legitimiteit. De Europese plannen beperken sterk de speelruimte van nationale staten en bevordert het pensée unique op socio-economisch gebied. Dat dreigt de Europese legitimiteit verder te verzwakken. Democratisch verkozen nationale regeringen worden immers sterk beperkt in hun handelingsvrijheid door het Europees niveau, waarop relatief weinig democratische controle bestaat. Bij zowel nationale als Europese verkiezingen spelen Europese beleidsthema’s immers slechts een marginale rol. Het Europact raakt bijgevolg aan de grenzen van de democratie. Mogen nationale staten nog hun eigen keuzes maken? Bestaan er andere opties om de vergrijzing op te vangen? Wat met het maatschappelijke belang van jobzekerheid? Blijft er nog ruimte voor contracyclisch beleid om crises op te vangen? Kortom, beste Europa, mag er nog politiek debat zijn aub?

Deze tekst verscheen eerder op Poliargus.


[2] Er is sprake van financiële sancties van 0,2% van het bruto-nationaal product.

[3] In Duitsland is sinds 2005 zowel de werkende armoede, als de armoede onder uitkeringstrekkers aan het stijgen (Bron: Eurostat). Voor cijfers over werkende armoede zie: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tsdsc320&plugin=0

Voor Duitse werklozen is het armoederisicopercentage gestegen van ongeveer 40% tot over de 60%. Zie:

http://epp.eurostat.ec.europa.eu/tgm/refreshTableAction.do?tab=table&plugin=0&pcode=tessi124&language=en

[4] Een contracyclisch begrotingsbeleid houdt in dat landen vooral geld uitgeven in moeilijke economische tijden om de economische conjunctuur proberen tegen te gaan. Voor meer info zie: http://poliargus.be/open/article/het-streven-naar-het-begrotingsevenwicht-een-dogma

[5] ‘Automatische stabilisatoren’ zijn overheidsuitgaven die automatisch de economische conjunctuur stabiliseren. Een modelvoorbeeld hierbij zijn de werkloosheidsuitkeringen. In slechte economische tijden zijn er meer werklozen en zullen de overheidsfinanciën onder druk komen te staan. Daartegenover staat dan ook dat werkloosheidsuitkeringen de koopkracht van de mensen op peil houden en op die manier de crisis helpen opvangen.

Loonmatiging: de koninklijke route naar meer ongelijkheid?

Nu de sociale partners onderhandelen over een nieuw interprofessioneel akkoord, duiken een aantal klassieke discussiepunten op. Eén van de steevast terugkerende mantra’s is de roep om loonmatiging. Vooral werkgevers zijn hier al jaren vragende partij voor. Nu de Duitse economie het (ogenschijnlijk) heel goed doet[1], krijgt dat pleidooi maatschappelijk steeds meer bijval. Dit artikel wil echter niet zozeer focussen op het klassiek ‘economisch’ debat over loonmatiging (zoals effect op werkgelegenheid, innovatie, productiviteit …), maar stelt zich de vraag welke groepen wel varen bij een politiek van loonmatiging[2]. Aan de hand van de Nederlandse en Duitse voorbeelden gaan we na wat het verdelingseffect van loonmatiging zou kunnen zijn in België. We focussen op de volgende zaken: het aantal werknemers met een laag loon, het aantal werkende armen en de inkomensongelijkheid. Rekening houdend met het Nederlandse en vooral het Duitse voorbeelden, is er volgens ons een serieus risico op stijgende ongelijkheid. Met het oog op de vrijwaring van de koopkracht van de zwaksten in onze samenleving moet een politiek van loonmatiging bijgevolg worden vermeden.

Nederland en Duitsland als gidslanden?

Om het effect van loonmatiging in te schatten is het altijd eens interessant om ‘over het muurtje’ te kijken naar wat er zich in de buurlanden afspeelt. Nederland en Duitsland hebben immers al een zekere traditie op het gebied van loonmatiging. Voor de start van de Nederlandse loonmatiging wordt vaak verwezen naar het ‘akkoord van Wassenaer’ van 1982. In heel eenvoudige taal, komt het erop neer dat vakbonden akkoord gaan met een politiek van loonmatiging in ruil voor vormen van arbeidsherverdeling (vooral onder de vorm van stimulering van parttime tewerkstelling). Gedurende de jaren ’80 steeg de tewerkstelling sterk, vooral de Nederlandse vrouwen werkten voortaan massaal parttime. Op dit ogenblik werkt 60% van de vrouwen er nog steeds halftijds. De Duitse loonmatiging is voor een groot deel recenter van aard, maar tegelijkertijd ook een stuk extremer. Vanaf 2000 worden vooral in de Duitse exportsector de lonen gematigd, zelfs in die mate dat de lonen achterblijven op de productiviteit. De loonmatigingspolitiek wordt in beide landen beargumenteerd vanuit een dubbel perspectief. Enerzijds, en dat is het meest gehoorde argument, wordt loonmatiging gezien als een middel om internationaal competitief te blijven. In een verscherpte internationale omgeving is ‘beheersing’ van de loonkost nu éénmaal onontbeerlijk, aldus deze redenering. De legitimiteit van deze claim is echter twijfelachtig. De Nederlandse competitiviteit is er (zo) immers op achteruit gegaan, mogelijks zelfs als gevolg van de loonmatigingspolitiek[3]. Anderzijds, wordt vaak gesteld dat productiviteitswinsten kleiner zijn in een steeds meer tertiaire economie. Vooral bij laaggeschoolde jobs in de dienstensector (bijv. horeca, kappers …) stijgt de productiviteit trager, waardoor bij hoge loonkost de minst ‘productieven’ worden uitgestoot. In die zienswijze zit wel een grond van waarheid, maar dat betekent niet dat loonmatiging de enig denkbare oplossing is. We komen hier nog op terug. In dit stuk bespreken we verder de verdelingseffecten van loonmatiging. We bespreken achtereenvolgens het effect op laagste lonen en werkende armoede enerzijds en het effect op de globale inkomensverdeling anderzijds.

Laagste lonen onder druk, met meer werkende armoede als gevolg

De Nederlandse en Duitse voorbeelden tonen aan dat de loonmatiging geenszins een uniforme trend is. Het is immers niet zo dat er voor alle werknemers geen loonstijging in zit. Door de segmentatie van de arbeidsmarkt in een ‘primair’ en een ‘secundair’ deel, worden vooral de zwakste werknemers getroffen. Bijgevolg is loonmatiging veel sterker aan de onderkant, dan aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. Op die manier geeft loonmatiging aanleiding tot meer loonsongelijkheid en meer werknemers met een (relatief) laag loon[4]. Deze effecten werden vastgesteld zowel in Nederland en Duitsland, zij het in Nederland vooral bij mensen (vrouwen dus) die parttime werken[5]. Bij voltijdse werkende Nederlanders is het aantal laag betaalde werknemers nog altijd heel erg laag. Duitsland wordt nu dan weer aanzien als het land van de ‘hamburgerjobs’, of ‘mini-jobs’ zoals de regering-Schröder ze zelf noemde[6]. Wat het extra pijnlijk maakt, is dat de Duitsers (in vergelijking met andere landen) nogal lang in deze precaire jobs blijven zitten.

Eén van de vele vragen hierbij is in welke mate deze lage lonen aanleiding geven tot meer ‘working poor’. Werkende armoede wordt beïnvloed door twee factoren: 1) de gezinssituatie, waarbij vooral alleenstaand ouderschap een risicofactor is en 2) de hoogte van de arbeidsinkomsten, waarbij vooral lage lonen en tijdelijke contracten een negatieve invloed hebben. Ondanks de moeilijke relatie tussen lage lonen en huishoudinkomens[7] zijn er toch aanwijzingen dat de loonmatigingspolitiek in Nederland en Duitsland geleid heeft tot meer werkende armen. In Nederland was er zo gedurende de jaren ’80 een stijging van de werkende armoede[8]. Het is wel zo dat deze cijfers zich stabiliseerden in de jaren ’90 op een percentage van om en bij de 5%. Ook in Duitsland zijn er aanwijzingen van een stijgende armoede bij de werkende populatie. Volgende de EU-armoedelijn steeg de ‘in-work poverty’ van 4,8% in 2004 tot 6,8% in 2008. Vooral na 2005 zien we een stijgende armoede-incidentie[9].

Meer inkomensongelijkheid

De laatste stap in de redenering bestaat erin na te gaan hoe een groeiende groep van ‘working poor’ zich vertaalt in de globale inkomensverdeling. Meer werkende armoede leidt niet noodzakelijk tot meer ongelijkheid, indien de werkende armen voordien moesten rondkomen met een nog lagere uitkering. Volgens sommigen is meer werkende armoede dan ook de logische prijs van een werkgelegenheidspolitiek, maar gaat dat niet ten koste van de sociale gelijkheid. De cijfers spreken die redenering tegen. In Nederland steeg de gini-coëfficiënt tussen het midden van de jaren ’80 en jaren ’90 licht van 0,26 tot 0,28[10]. In Duitsland steeg de ongelijkheid dan weer veel meer uitgesproken van 0,26 in 2004 tot 0,30 in 2008[11]. Weerom is 2005 een cruciaal breukmoment met een (sterk) stijgende ongelijkheid tot gevolg. Het is hierbij belangrijk op te merken dat er niet enkel een druk is op de laagste lonen, maar dat loonmatiging ook bepaalt welk sociaal beleid mogelijk is. Lage lonen zetten immers een rem op de hoogte van de uitkeringen. Het is heel aannemelijk dat hierin de oorzaak ligt van de stijgende Duitse ongelijkheid. In 2005 was er immers een serieuze hervorming van het werkgelegenheidsbeleid, alsook van de uitkeringen (de zgn. Hartz-IV hervormingen). Een gevolg was een bijna verdubbeling van inkomensarmoede bij de werklozen. Nu hebben meer dan 50% van de Duitse werklozen een verhoogd armoederisico[12]. Belangrijk is het hierbij op te merken dat de ongelijkheid in België volgens diezelfde bronnen min of meer constant blijft[13]. De stijging van de Duitse ongelijkheid is dus niet zomaar een generieke Europese trend, maar hangt wel degelijk samen met de gevoerde politiek.

Loonmatiging beïnvloedt echter nog op een andere manier de inkomensverdeling. Het ‘verstoort’ de verhouding tussen arbeid en kapitaal. Zelfs wanneer loonmatiging in gelijke mate de rijkste als armste werknemers treft, kan de ongelijkheid toenemen. Het verschuift immers ‘maatschappelijke meerwaarde’ van lonen naar uitgekeerde dividenden. Aandeelhouders zijn de relatieve winnaars van een politiek van loonmatiging en aangezien mensen met aandelen vaak tot de hogere inkomensgroepen behoren, leidt dat ook tot meer ongelijkheid. Het spijtige van de zaak is echter dat er hierover weinig goede cijfers voorhanden zijn en dat inkomens uit kapitaal meestal niet (of imperfect) opgenomen zijn in de officiële ongelijkheidsmaten.

Meer werk met sociale gelijkheid

Uit het voorgaande volgt dat er sterke sociale argumenten bestaan om niet zomaar de Duitse en Nederlandse voorbeelden te volgen. Loonmatiging zet een druk op de koopkracht van de zwakste werknemers en leidt (vaak) in tweede orde tot lagere uitkeringen. We moeten wel werken aan alternatieven om werkgelegenheid te creëren voor kwetsbare groepen. Er bestaan hierbij alternatieven voor loonmatiging. Een combinatie van een 2-tal strategieën kan gevolgd worden. Allereerst kan de werkgelegenheid van laaggeschoolden worden gestimuleerd door gerichte subsidiëring, denk hierbij aan de dienstencheques die vele tienduizenden uit de werkloosheid heeft gehaald. Het is hierbij verstandig om vooral in te zetten op jobgroei in een groeiende publieke dienstensector. Een ruime openbare dienstensector (denk hierbij bijv. aan kinderopvang) is immers één van hoofdoorzaken voor de grotere participatie van laaggeschoolde vrouwen in de Scandinavische landen. Daarnaast moet er nagedacht worden aan gerichte verlagingen van de sociale bijdragen, enkel voor de laagste lonen. Dat kan immers helpen om de positie van de zwakke werknemers te versterken in de arbeidsmarkt. Voorwaarde hierbij is wel dat sociale zekerheid financieel gecompenseerd wordt door meer in te zetten op alternatieve financiering. Beide strategieën worden nu al gevolgd in België, maar de initiatieven zijn vaak te versnipperd en hebben te weinig budgettaire omvang. Extra inspanningen moeten worden geleverd zodat België in de toekomst kan dienen als rolmodel voor de rest van Europa.

Deze tekst verscheen eerder op Poliargus.


[1] Het recente Duitse jobmirakel steunt vooral op een (kunstmatige) stimulatie van de export door middel van loonmatiging. Dat zorgt voor een onevenwicht in de Duitse handelsbalans wat volgens sommige economen mee aan de basis ligt van de huidige eurocrisis.

[2] Voor meer informatie over het ‘economisch’ debat over loonmatiging verwijs ik graag naar de bijdrage ‘Loonmatiging: een rationeel economisch beleid?’ van De Spiegelaere en Dierckx.

[3] Hiervoor verwijs ik naar de theorie van Alfred Kleinknecht over het effect van loonmatiging op productiviteit. Zie hiervoor (o.a.): Naastepad, C.W.M. & A. Kleinknecht: ‘The Dutch productivity slowdown: The culprit at last?’ in Structural Change and Economic Dynamics, Vol. 15 (2004), pp. 137-163. http://administration.ewi.tudelft.nl/live/binaries/ad4be6bd-843d-4a76-a8f2-54c034d16d98/doc/DutchProductivity.pdf

[4] In de international literatuur wordt vaak de term ‘low pay’ gebruikt, zijnde een loon lager dan 2/3-de van het mediane loon. Soms is er discussie of er moet gewerkt worden met uurlonen of maandlonen.

[5] ‘Low pay’ (2008) Wiemer Salverda en Claudia Lucifora in ‘Oxford Handbook of Economic Inequality’.

[6] Zie het hoofdstuk ‘Low Wages Need Not Mean Low Incomes’ in het boek ‘Progress for the Poor’ van Lane Kenworthy (2011, forthcoming).

[7] Mensen met een laag loon verschaffen immers vaak een tweede inkomen aan het huishouden.

[8] Er valt wel op te merken dat er hierover weinig goede cijfers bestaan. De globale inkomensarmoede steeg alleszins in de beschouwde periode. In Nederland steeg de inkomensarmoede van 2,5 % tot 5,2% tussen het midden van de jaren ’70 en het midden van de jaren ’90 (volgens de OESO armoedelijn). Indien we de EU-armoedelijn gebruiken, komen we uit op een stijging van 5,7% tot 12%. Bron: OESO sociale statistieken, http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=POVERTY

[10] Cijfers afkomstig van de OESO sociale statistieken. http://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=POVERTY

[12] Cijfers afkomstig van Eurostat.

[13] Verschillende databronnen vertellen voor België in dat verband een ander verhaal. Volgens de fiscale statistieken steeg de Belgische ongelijkheid sterk sinds het midden van de jaren ’90. Om de trends te kunnen vergelijken met Duitsland wordt hier echter ook gebruik gemaakt van surveydata (EU-ECHP en EU-SILC).

Boek: Skidelsky, R. (2009). Keynes. The Return of the Master.

De grootste sterkte, maar tegelijk ook de belangrijkste zwakte van het boek : Robert Skidelsky is in de eerste plaats historicus en slechts in de tweede plaats econoom. Zo stelt de auteur zelf: “An important advantage I would claim for this book is that, although its subject matter is mainly economics, it is written from a vantage point outside of that of the economics profession. …  The advantage I would claim is that of not having been brainwashed to see the world as most economists view it: I have always regarded their assumptions about human behavior as absurdly narrow. … I have come to see economics as a fundamentally regressive discipline, its regressive nature distinguished by increasingly sophisticated mathematics and statistics”. De auteur kijkt dus vooral vanuit een menswetenschappelijke bril naar de economische wetenschappen. Tegelijkertijd is dat meteen het zwakke punt van het boek, zoals hij zelf stelt: “I find mathematics and statistics ‘challenging’.” Wie dus op econometrisch bewijs zit te wachten dat Keynes ‘gelijk had’ blijft dus enigszins op zijn honger zitten. Wie echter een overzicht wenst van de voornaamste stellingen van het ‘Keynesianisme’ wordt wel op zijn wenken bediend.

Aangezien het boek dateert van 2009, begint de auteur eerst met zijn ‘lezing’ van de financieel- economische crisis. Zo vertelt hij het ondertussen bekende verhaal van crashende woningprijzen die aanleiding gaven tot een wereldwijde ‘credit crunch’ (het volledig opdrogen van het financieel verkeer). Hij brengt het relaas van toenemende financiële ‘innovatie’: steeds meer ‘sub-prime’ (lees: ‘weinig kredietwaardige’) Amerikanen gingen hypothecaire leningen aan. Het risico dat hiermee gepaard ging werd door de banken verspreid over verschillende financiële producten: securitisatie. Deze ‘securities’, met verschillende hypothecaire leningen als onderpand, werden door de uitgevende bank dan weer verkocht. Dat verklaart waarom de sub-prime hypotheken een grote rol speelden bij een groot aantal financiële derivaten. De ‘securitisatie’ van hypothecaire leningen werd mogelijk door een drietal dereguleringsinitiatieven: de herziening van de Glass-Steagall Act waardoor gewone banken ook financiële derivaten mochten aanbieden, de beslissing van de Clinton administratie om ‘credit default swaps’ (een soort ‘verzekering’ tegen wanbetaling) niet te gaan reguleren, en de beslissing van de VS om de reserveverplichting voor banken te verlagen. Het valt echter wel op dat de auteur niet echt ingaat op mogelijk ‘diepere’ oorzaken van de crisis, zoals opeenvolgende cycli van industrieel en financieel kapitalisme waarbij de overgang wordt gekenmerkt door een periode van crisis[1].

Vervolgens beschrijft Skidelsky de reactie van verschillende Westerse regeringen: het redden van de banken en het in het leven roepen van verschillende ‘stimuluspakketten’. Dat zijn budgetten die de overheden vrij maken in hun begroting (vaak door het begrotingstekort uit te diepen) om de economie te stimuleren. Deze moeten echter onderscheiden worden van de zogenaamde ‘automatische stabilisatoren’: vooral sociale zekerheidsuitgaven (zoals werkloosheidsuitkeringen) stabiliseren de economie, zonder dat hierbij een expliciete beslissing van de overheid noodzakelijk is. Vooral in de ontwikkelde Europese welvaartstaten zorgden die voor een minder scherpe economische terugval. Daarnaast legt Skidelsky ook uit waarom het klassieke instrument van neoklassieke economen, het verlagen van de interestvoeten[2], niet voldoende is om de crisis te bezweren. Hiervoor bestaan twee soorten argumenten. Allereerst leidt een verlaging van de rente door een centrale bank niet noodzakelijk tot een lage marktrente (bijv. voor de consument), aangezien de banken het goedkope geld niet uitlenen, maar bij zich houden om hun balansen in orde te brengen. Daarnaast stijgt de reële rente sowieso wanneer er deflatie optreedt[3]. Zoals we gezien hebben in Japan tijdens de jaren ’90 is zelfs een nulrente dan onvoldoende om de investeringen te laten aantrekken.

De auteur heeft het ook over de reële oorzaak van de financieel-economische crisis: het falen van het economische denken. Voor hem is het onvoldoende om te wijzen op fout gedrag van verschillende actoren, zoals de overheden, de centrale banken of de rating bureaus. Fundamenteel is er meer aan de hand. Of zoals hij zelf Keynes citeert: “The ideas of economists and political philosophers, both when they are right and when they are wrong, are more powerful than is commonly supposed. Indeed the world is ruled by little else”. Foute ideeën liggen dus aan de basis van de crisis.

Volgens de premissen van de neoklassieke economie kon deze crisis onmogelijk plaatsvinden. Drie onderling afhankelijke assumpties staan hierbij centraal: de rationeel agerende mens, geloof in een ‘reële’ economische cyclus, en de ‘efficiënte financiële markt’-these. Aangezien mensen rationele verwachtingen hebben, zou er zoiets bestaan als een ‘reële economische cyclus’ waarbij werkloosheid enkel een tijdelijk fenomeen kan zijn. De redenering is dat, indien de lonen en de arbeidsmarkt volledig ‘vrij’ zijn, er eigenlijk geen werkloosheid kan plaatsvinden. Rationele mensen zullen bereid zijn om te werken voor een lager loon, indien ze weten dat ze anders geen werk zullen vinden. Werkloosheid bestaat bijgevolg enkel na het plaatsvinden van een sociaaleconomische ‘shock’ en dan enkel als tijdelijk fenomeen. Daarenboven zijn financiële markten ook efficiënt, aangezien er in de context van afwezige regulering, volledige risicospreiding bestaat. Aangezien risico’s min of meer calculeerbaar zijn, kan men zich tegen deze risico’s verzekeren (bijvoorbeeld onder de vorm van ‘credit default swaps’). Het kan inderdaad zijn dat mensen hun hypotheek niet meer kunnen terugbetalen, maar dergelijke situaties hebben een berekenbare kans en kunnen in rekening worden gebracht. Marktwerking kan in dat perspectief dan ook onmogelijk de oorzaak zijn van de crisis, aangezien de markt in de context van volledige openheid en transparantie geen fouten maakt. Er zijn tot op de dag van vandaag neoklassieke economen die de schuld niet zoeken bij de markt, maar vooral bij de Amerikaanse overheid die te lang lage rentevoeten heeft gecombineerd met soepele criteria voor kredietverlening.

Niet alle economen gaan echter uit van dergelijke assumpties. Naast neoklassieke economen heb je immers ook nieuw-keynesiaanse economen. Bekende vertegenwoordigers hiervan zijn Joseph Stiglitz en Paul Krugman[4]. Ze verwerpen de veronderstellingen van de neoklassieken niet volledig, maar stellen dat deze assumpties niet opgaan in alle omstandigheden. Zo downgraden ze de assumptie van volledige informatie en benadrukken ze bijvoorbeeld het bestaan van ‘asymmetrische’ informatie: insiders hebben een informatievoordeel op outsiders. Iemand die een lening aangaat, weet immers altijd meer dan de bank die de lening verschaft.

De auteur heeft echter vooral sympathieën voor de post-keynesiaanse school, die volgens hem het dichtst is gebleven bij het centraal vertrekpunt van Keynes: fundamentele onzekerheid. De theorieën van Keynes zijn immers ontwikkeld in de context van een diepe depressie. Mensen handelen in tijden van crisis ‘irrationeel’, doordat er fundamentele onzekerheid heerst, en versterken op die manier de economische cycli. In tijden van crisis vallen investeerders en consumenten terug op zogenaamde ‘conventionele verwachtingen’. Economische actoren zijn niet rationeel, maar spiegelen zich aan heersende conventies om hun gedrag te bepalen. Economische instellingen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. Als de OESO zegt dat de Westerse landen moeten besparen, dan ontstaat er een ongeschreven regel waar landen moeten aan voldoen. Daarnaast ging Keynes ervan uit dat er verschillende macro-economische evenwichten mogelijk zijn, ook ‘under-employment equilibra’. Hierbij kan de economie op een hoger niveau van werkloosheid uitkomen dan puur ‘structureel’ zou kunnen worden verondersteld. Zo’n situatie zou zich dan vooral voordoen wanneer investeerders door de fundamentele onzekerheid te weinig risico’s nemen en hierdoor de economie te weinig stimuleren.

Keynes, en de post-keynesianen, verwerpen dus alleszins de notie van ‘natuurlijke werkloosheid’[5]. Neoklassieke economen gaan er immers van uit dat er één enkel natuurlijk evenwichtspunt bestaat in een economie. Bij dit evenwichtspunt kan de werkloosheid niet meer worden teruggedrongen, behalve door inflatie te veroorzaken. Werkloosheid kan hierbij volgens de neoklassieken enkel worden teruggedrongen door structureel in te grijpen in je arbeidsmarkt, meer specifiek door lonen en arbeidsvoorwaarden te dereguleren. Keynes zag het natuurlijk anders. Doordat er in crisistijd een onderbenutting is van productiefactoren kan de overheid dan een tandje bijsteken om de werkloosheid te verlagen. Het verschil tussen neoklassieken en Keynes is niet zozeer de langetermijntrends, maar eerder de korte termijn en meer bepaald hoe markten reageren op schokken in de economie. Om het met Keynes’ woorden zelf te zeggen: “in the long run, we are all dead”.

In het hoofdstuk ‘The Keynesian Revolution: Success or Failure?’ beschrijft Robert Skidelsky in detail de belangrijkste verschillen tussen keynesiaanse periode en de periode erna. In de jaren ’70 werd het macro-economisch beleid niet minder dan ‘op zijn kop’ gezet. Waar vroeger de nadruk lag op het stimuleren van de vraag in tijden van terugval, ligt nu de nadruk op een zo efficiënt mogelijke inzet van de productiefactoren (aanbodeconomie). De naoorlogse consensus komt tot uiting in het zogenaamde Bretton-Woodsstelsel. De centrale doelstelling hierbij is creëren van volledige werkgelegenheid. De nationale overheden moeten hiervoor zorgen door zorgvuldig management van de vraag. Het budgettair beleid moet daarom ingaan tegen de economische cycli en de rente van de centrale bank moet permanent laag zijn.

De zogenaamde ‘Washington consensus’, die opkwam in het begin van de jaren ’80, gaat hier lijnrecht tegenin. Macro-economische stabilisatie moet hierbij gebeuren door monetair beleid. In tijden van economische terugval moeten de centrale banken de rente verlagen om zo de economie te stimuleren (iets wat volgens Keynes weinig nut heeft bij een serieuze terugval). Daarnaast wordt de centrale doelstelling het bestrijden van inflatie. Overheden moeten zich bijgevolg beperken tot het in evenwicht brengen van hun eigen begroting, ook al kan dat leiden tot een terugval van de macro-economische vraag. De auteur argumenteert vervolgens dat de periode 1945-1973 wel degelijk kan beschouwd worden als een economisch succes: wereldwijd is er een substantieel hogere economische groei, de werkloosheidscijfers lagen een stuk lager dan nu het geval is, de economische groei was minder volatiel en crashende munten kwam niet voor. Daarenboven werd er geen inflatieprijs betaald in die periode: de gemiddelde inflatie tussen 1950 en 1970 is gelijk aan het niveau dat we nu kennen. Nu, er moet wel vermeld worden dat een dergelijk pleidooi natuurlijk ook te kampen heeft met het gebrek aan ‘counterfactual’. Het ‘keynesianisme’ werkte immers in een heel specifieke context van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog.

Op het einde behandelt Robert Skidelsky de, volgens hem, belangrijkste lessen van Keynes voor vandaag. De voornaamste les bestaat volgens hem in ‘taming finance’. Volgens hem is het onvoldoende om aan beter ‘risicomanagement’ te doen. Wanneer men fundamentele onzekerheid serieus wil nemen, kiest men best voor een structureel restrictief financieel stelsel. Ook interessant is zijn pleidooi voor een hervorming van de opleiding economie. Vandaag de dag is immers economie verworden tot wiskundige modellering. Hierdoor is de sociale wetenschap ‘vervreemd’ en worden bepaalde fundamenten niet meer in vraag gesteld. Skidelsky stelt twee concrete veranderingen voor. Enerzijds pleit hij ervoor om elke econoom een degelijke sociale en menswetenschappelijke basis mee te geven door vakken als economische geschiedenis en filosofie een plaats te geven. Daarnaast ijvert hij voor een striktere scheiding in de hogere jaren tussen micro- en macro-economie. Vooral wat macro-economie betreft, mag de opleiding zich niet beperken tot het trainen van statistici. Dergelijke wijzigingen lijken inderdaad aan te bevelen. De huidige economische crisis brengt immers de mainstream macro-economie in diskrediet. Het éénzijdig opleiden van een hele generatie economen heeft de neoklassieke pensée unique waarschijnlijk alleen maar verstrekt. Hopelijk creëert de crisis wat ruimte voor debat binnen de economische wetenschap, maar ook tussen economen en sociale wetenschappen en ‘last but not least’ tussen de samenleving en de economie. Waar moeten economen vooral naar streven? In welke mate moet economische efficiëntie absoluut worden nagestreefd? Om met een boutade af te sluiten: ‘never waste a good crisis’.

Deze tekst verscheen eerder op Poliargus.


[1] De auteur geeft vooral de indruk dat indien we de voorschriften van Keynes zouden zijn gevolgd, de huidige crisis niet zou zijn losgebroken. Deze visie wordt vooral bekritiseerd door marxistische economen die stellen dat crisissen ingebakken zitten in de kapitalistische economie en vaak de overgang inluiden van industrieel naar financieel kapitalisme (of omgekeerd). De Italiaan Giovanni Arrighi is een bekende vertegenwoordiger van deze zienswijze.

[2] Interestvoeten beïnvloeden het spaar- en investeringgedrag van mensen. Wanneer de rente laag is, wordt sparen ontmoedigd en wordt investeren voordeliger. Op die manier kan een daling van de rente door de centrale bank de economie stimuleren.

[3] Deflatie is een synoniem voor ‘negatieve inflatie’ en betekent dat de gemiddelde consumptieprijzen dalen. Wanneer de gemiddelde prijzen dalen, stijgen de reële rentevoeten sowieso aangezien de nominale rente niet onder nul kan gaan.

[4] Paul De Grauwe kan enigszins beschouwd als een Belgische vertegenwoordiger van deze school.

[5] ‘Natuurlijke werkloosheid’ wordt soms ook met de term NAIRU (Non-Accelerating Inflation Rate of Unemployment) aangeduid.

Boek: Wilkinson, R. & Pickett, K. (2009). The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone.

Wat moet je doen om onze samenleving ‘beter’ te maken? Dit boek suggereert een eenvoudig, maar tegelijkertijd krachtig antwoord op deze vraag: streef naar meer inkomensgelijkheid. Het eerste deel van het boek beschrijft onder de noemer ‘Material Success, Social Failure’ de huidige staat van onze samenleving. Zoals de titel suggereert, ging de toename van de welvaart in de Westerse wereld (gedurende de laatste decennia) niet gepaard met een toename van de levenskwaliteit. Via een aantal statistieken argumenteren de auteurs dat in rijke Westerse landen het welzijn van de burgers niet samenhangt met de toename van het BNP . Absolute welvaartstoename maakt ons niet langer gelukkiger. Het argument is dat in rijke, Westerse landen de mate van sociale gelijkheid telt. Zo beschrijven ze hoe een hoge mate van ongelijkheid een samenleving verziekt. In zo’n samenleving groeien kinderen immers op in een context van scherpe statusconflicten met allerlei onwenselijke situaties tot gevolg. Dat leidt tot een ‘disfunctionele’ samenleving, met minder vertrouwen en meer statusangst.

Het tweede deel van het boek probeert via eenvoudige kruistabellen aan te tonen dat inkomensongelijkheid leidt tot meer sociale problemen. Dat doen ze op twee manieren: enerzijds door verschillende rijke Westerse landen te vergelijken en anderzijds door de staten van de Verenigde Staten van Amerika te vergelijken. Landen (of Amerikaanse staten) met meer inkomensongelijkheid worden gekenmerkt door: minder vertrouwen tussen mensen, meer mentaal zieken, een lagere levensverwachting, meer obese mensen, slechtere schoolprestaties, meer tienerzwangerschappen, meer geweld, meer gevangenen (vooral door zwaardere straffen) en minder gelijke kansen . Hoewel bivariate statistieken absoluut niets bewijzen, komt het geheel wel overtuigend over. Toch zijn er twee zaken waar ze te weinig op ingaan. Enerzijds is het niet volledig ondenkbaar dat er andere mechanismen spelen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de graad van vertrouwen een cruciale rol speelt. Meer vertrouwen kan dan leiden tot een groter draagvlak voor herverdeling en op zijn beurt tot meer inkomensgelijkheid. Anderzijds zijn er ook een aantal sociale problemen die niet op de ‘te verwachten manier’ correleren met inkomensongelijkheid. In het boek wordt zo het voorbeeld aangegeven van het aantal zelfdodingen. Landen met meer sociale gelijkheid (zoals Japan en de Scandinavische landen) zijn toppers op het vlak van zelfmoord. Alhoewel dat het centrale argument niet onderuit haalt, zouden ze hier toch wat meer aandacht aan mogen besteden.

Het laatste deel van het boek besteedt aandacht aan de weg naar de ‘betere samenleving’. De auteurs stellen dat er verschillende wegen zijn naar meer sociale gelijkheid. Ze halen hierbij de voorbeelden aan van Zweden (gekenmerkt door een hoge mate van sociale herverdeling) en Japan (waar de sociale gelijkheid vooral gerealiseerd wordt door een hoge pre-belastingsgelijkheid). Wie op heel concrete maatregelen zit te wachten, blijft toch enigszins op zijn honger zitten. Opvallend is de argumentatie dat het streven naar meer sociale gelijkheid en ecologische duurzaamheid complementair is. Zo stellen ze dat heel wat consumptie voorkomt uit statuscompetitie en dat meer sociale gelijkheid op die manier de duurzaamheid van de economie zou verhogen.

Kort samengevat: een interessant boek met een gewaagde politieke boodschap. Het is immers al een tijdje geleden dat een hoogstaand boek met instrumentele argumenten de egalitaristische boodschap heeft verdedigd. Tegelijkertijd is een dergelijke pleidooi natuurlijk niet zonder risico. Stel bijvoorbeeld dat iemand er zou in slagen om alle ‘verbanden’ uit het boek te weerleggen, dan blijven er plotseling geen argumenten meer over. Daarom is het noodzakelijk dat het egalitarisme ook voorzien wordt van de nodige waarderationele argumenten. Het is immers heel aannemelijk dat mensen een hoge mate van inkomensongelijkheid gewoon onrechtvaardig vinden. De intrinsieke waarde van sociale gelijkheid (in termen van sociale rechtvaardigheid) mag niet uit het oog verloren worden.

Deze tekst verscheen op 2 augustus op Poliargus.

Wordt de EU een ‘economische technocratie’?

De Griekse financiële crisis kan mogelijk een impact hebben op de institutionele structuur van de Europese Unie. Verschillende commentatoren benadrukken de laatste tijd dat een munteconomie zonder een gezamenlijk economisch beleid vroeg of laat op de klippen loopt. Onlangs stelde de Europese Commissie plannen voor om voortaan scherper toezicht te houden op de begroting van de lidstaten. Voortaan zouden de lidstaten eerst een ontwerpbegroting moeten indienen bij de Europese Commissie vooraleer deze door de nationale parlementen besproken worden. Daarnaast wordt ook de piste van sancties geopperd voor ‘hardleerse’ overtreders van het stabiliteitspact[1]. Dit blogstuk hoopt enkele nuances aan te brengen in het debat over een ‘economische regering’ voor de eurozone. Allereerst wordt gesteld dat het huidig stabiliteitspact te weinig rekening houdt met de cycli in de economie, daarnaast wordt er gepleit voor een democratisering van de Europese politieke structuren. Aangezien zo’n Europese regering immers een sterke invloed zal hebben op het economisch beleid van de lidstaten lijkt het cruciaal dat de Europese burger ook  de beslissingen van zo’n economische regering kan beïnvloeden.

Eerst gaan we in op de begrotingsdoelstellingen die de Europese Unie oplegt (of wil opleggen) aan de lidstaten. Het zogenaamde ‘stabiliteitspact’ schrijft voor dat het begrotingstekort van de lidstaten maximaal mag oplopen tot 3% van het BBP en dat tevens de overheidsschuld moet worden teruggedrongen tot 60% van het BBP. Op die manier zou de stabiliteit van de gezamenlijke munt moeten worden verzekerd (aangezien er impliciet wordt uitgegaan van de link tussen overheidsbestedingen en inflatie). Dit pact houdt echter volgens mij te weinig rekening met de economische conjunctuur. In goede economische tijden is een structureel tekort op de overheidsbegroting (zelfs één van 3%) niet te tolereren, in mindere economische tijden (zoals nu het geval is) is een tekort op de overheidsbegroting wel verdedigbaar en misschien zelfs wenselijker dan een evenwicht (zie ook het essay ‘Het streven naar het begrotingsevenwicht: een dogma?’). Het budgettair beleid van staten moet ‘contracyclisch’ georiënteerd zijn: buffers aanleggen in de goede tijden en die buffers later gebruiken om de economie te stabiliseren. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft zo aangetoond dat de stijgende kosten die Europese overheden hebben door de crisis (vooral in de sociale zekerheid) een aanzienlijk stabiliserend effect hebben gehad op de Europese economieën[2]. In de huidige context pleiten om op korte termijn de begrotingen hard te saneren, zal dan ook zeker zijn impact hebben op de reële economie en dreigt het Europese continent in een (nog) diepe(re) economische recessie te duwen. Deze vrees is heel erg reëel voor de Zuid-Europese landen.

Daarnaast kunnen er ook vanuit democratisch perspectief vraagtekens worden geplaatst bij de voorstellen van de Europese Commissie. Zo kan beargumenteerd worden dat de huidige Europese constructie met een aanzienlijk democratisch deficit kampt[3]. Dat ‘deficit’ hangt samen met de manier waarop de Europese Unie vandaag is georganiseerd: enerzijds is er een klassieke ‘intergouvernementele’ component (lees: de nationale staten), anderzijds is er ook een ‘supranationale’ (of bovenstatelijke) dynamiek (zoals het Europees parlement en de Europese Commissie). Het democratisch probleem van de EU vloeit voort uit twee zaken: enerzijds spelen Europese thema’s geen rol in de nationale verkiezingen, anderzijds overschaduwen nationale thema’s de Europese verkiezingen (meestal wordt de zittende regering afgestraft). Er is met andere woorden een gebrek aan verantwoording op het Europese niveau. Dat hangt ook samen met het feit dat de Europese Commissie niet functioneert zoals een gewone regering met een parlementaire oppositie. Hierdoor ontstaat het (deels terechte) beeld bij de kiezer dat ze de koers van de Europese Unie niet kunnen beïnvloeden. De bovenstaande kritieken moeten dan ook in het achterhoofd worden gehouden wanneer nagedacht wordt over meer ‘economic governance’ voor de eurozone. Enerzijds zijn gezamenlijke spelregels niet meer dan logisch, anderzijds vormt de technocratische bestuurswijze van de EU een gevaar voor de democratie. Ik ben voorstander van een Europese economische regering, maar dan moet de Europese kiezer het beleid van zo’n regering kunnen beïnvloeden. Wanneer de Europese Commissie de nationale begroting wil beoordelen vooraleer de nationale parlementen dat doen, dan moet ze ook accepteren dat de kiezers ook hun positie via verkiezingen moeten kunnen beslechten. Parlementaire democratie is een systeem met vele problemen, maar de ‘economische technocratische’ kenmerken van de huidige Europese Unie vormen een gevaar voor de democratie en dreigen op termijn de legitimiteit van de Europese integratie te ondergraven.

Deze bijdrage verscheen op 17 mei 2010 op Poliargus.


[1] Europese Commissie wil greep op begrotingsbeleid versterken. De Morgen, 12 mei 2010.

[2] Dolls, M., Fuest, C. & Peichl, A. (2009). Automatic Stabilizers and Economic Crisis: US vs. Europe. CESifo Working Paper Series No. 2878.

[3] Zie ook: Pintelon, O. (2009). De paradox van het Europees democratisch deficit. Samenleving en Politiek. 16 (5), 22-35.

Waarom Griekenland uit de eurozone gooien een waanidee is

De Griekse tragedie is nog niet voorbij. Recent steeg de rente op Griekse overheidsobligaties (met een looptijd van 10 jaar) tot boven de 8%, bijna 5% hoger dan wat de Duitse regering voor haar overheidsleningen betaalt[1]. De Griekse problemen lijken dan ook moeilijk om alleen te bekampen. Het terugdringen van het begrotingstekort in de context van een krimpende economie is uiterst heikel, waarbij de geplande besparingen op hun beurt de economische groei kunnen aantasten. De laatste tijd circuleren dan ook nieuwe pistes voor de Griekse problematiek: stap (of gooi ze) uit de eurozone en laat de Griekenland weerom een eigen monetaire politiek voeren. Grosso modo zijn er hiervoor twee centrale argumenten. Enerzijds willen sommigen (waaronder) de Duitse bondskanselier Angela Merkel van Griekenland een symboolkwestie maken: in de eurozone moet er respect zijn voor begrotingsdiscipline[2]. Men wil een voorbeeld stellen. Financiële ‘steun’[3] leveren aan ‘slechte leerlingen’ is dan ook uit den boze. Griekenland nu ondersteunen zou aanleiding geven tot zogenaamde ‘moral hazard’, waarbij sommige landen (men denkt meteen aan de Zuid-Europese) het niet ernstig zouden nemen met de stabiliteit van de euro. Sommige economen[4] voegen daar aan toe dat Griekenland best wel baat zou hebben bij een herinvoering van een nationale munt. Griekenland kampt nu met een vrij dramatisch tekort op zijn handelsbalans en een devaluatie van de munt lijkt dan ook aangewezen, alleen is dat onmogelijk in de eurozone (met één gemeenschappelijke munt). Dit blogstuk wil echter aantonen dat een dergelijke piste een waanidee is, dat niet enkel Griekenland maar ook een deel van de eurozone in haar val kan meesleuren.

Allereerst gaan we in op de risico’s voor Griekenland, namelijk dat een eigen Griekse munt meteen crasht na introductie, wat aanleiding zou geven tot aanzienlijke financiële onzekerheid. Daarnaast zullen ook de rentevoeten op de Griekse staatsobligaties niet dalen door deze maatregel, integendeel. Het is vrij waarschijnlijk dat de financiële markten niet enkel een risicopremie zullen eisen tegen wanbetalingen (een zogenaamde ‘default’), maar ook tegen muntdevaluaties. Het is immers zo dat wanneer een overheid zijn munt devalueert, de belegger op het einde van de looptijd van de obligatie minder geld terugziet in koopkrachttermen. De beleggers zullen hier dan ook op voorhand op anticiperen.

Daarnaast dreigen ook andere landen uit de eurozone schade te lijden bij een dergelijk scenario. Allereerst wordt hierbij een signaal gegeven aan de financiële markten dat de eurozone tegen elkaar uit te spelen valt. De kans is dan ook reëel dat de beleggers meteen geld zullen proberen te verdienen door te speculeren tegen de Portugese, Spaanse en Italiaanse staatsobligaties. De instabiliteit in de eurozone zal dus enkel toenemen door een exit van Griekenland uit de eurozone. Ook andere landen uit de eurozone lopen echter risico. De financiële markten kunnen immers, in al hun creativiteit, een risicopremie vragen voor deze zogenaamde ‘opt out’. De meeste landen uit de eurozone zullen dan ook geconfronteerd worden met hogere rentevoeten.

Samengevat kunnen we stellen dat we sowieso geconfronteerd worden met de Griekse problemen, of we dat nu willen of niet. Alle landen uit de eurozone (misschien met uitzondering van Duitsland) hebben dan ook belang bij een snelle oplossing van de Griekse financiële crisis en een spoedig herstel van de Griekse economie, alleen lijkt het huidig Europees reddingsplan hiervoor ontoereikend. Zoals ik al in een eerder blogstuk heb aangehaald, moet er werk gemaakt worden van gezamenlijke EU-obligaties gecombineerd met een scherper maar ook verstandiger toezicht op de Europese begrotingen.

Dit blogstuk verscheen op 26 april op Poliargus.


[1] Nieuwe opstoot voor Griekse rente. De Morgen, 22 april 2010.
[2] Thierry Debels (2010). Zet hardnekkige bedrieger Griekenland uit de eurozone. De Morgen, 4 maart 2010.
[3] De term ‘financiële steun’ is deels misleidend. Bij het Europees ‘reddingsplan’ gaat het immers niet om blanco cheques, maar over terug te betalen leningen tegen een rente van ‘ongeveer’ 5% (het akkoord was nogal vaag). Deze rente is hoger dan wat de meeste eurolanden nu op overheidsobligaties betalen (ter vergelijking: België betaalt nu 3,50%) en veel hoger dan de IMF-noodleningen (die aan ultra lage rentevoeten kapitaal ter beschikking brengen).

[4] Koen Schoors lijkt deze optie te suggeren in: Koen Schoors (2010). Van de (Griekse) krekel en de (Duitse) mier. De Morgen, 26 maart 2010.

Onze sociale bescherming als buffer tegen de crisis

Dit blogstuk argumenteert dat het ‘(continentaal) Europees model’, gekenmerkt door een sterker uitgebouwde sociale bescherming, beter bestand is tegen de mondiale crisis dan het zogenaamde ‘Angelsaksische model’. Tot voor kort werd door enkele internationale organisaties (zoals de OESO) het Europees sociaal model aangezien als ‘rigide’ (lees: niet ‘flexibel’ genoeg), wat dan zou bijdragen tot een hogere werkloosheidsgraad in Europa in vergelijking met de Verenigde Staten. Dit artikel wijst echter op twee kenmerken van het ‘Europese model’ waardoor Europa beter bestand is tegen de wereldwijde sociaaleconomische crisis, namelijk enerzijds de strengere arbeidsregulering en anderzijds de hogere werkloosheidsuitkeringen (die dienst doen als zogenaamde ‘automatische stabilisatoren’).

Onderstaande grafiek [1] geeft de (recente) evolutie weer van de werkloosheid voor enkele OESO landen. De donkerblauwe staven geven de actuele groei van de werkloosheid (2009) weer en de lichtblauwe staven zijn projecties voor 2010. Allereerst valt het op dat zowel Ierland als Spanje een enorm scherpe toename kennen in werkloosheid, wat deels het spiegelbeeld is van de snelle economische ontwikkelingen die deze landen de laatste jaren meemaakten (mede veroorzaakt door de vastgoedbubbel). Daarnaast moeten we vaststellen dat verschillende continentaal Europese landen het al bij al niet slecht doen. Vooral in de Duitsland, Frankrijk en Italië ligt zowel de huidige als de toekomstige groei in werkloosheid lager dan in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Ook België doet het relatief goed in vergelijking met andere landen, met slechts een 0,9%-stijging in werkloosheid in 2009[2]. Deze bijdrage argumenteert dat zowel de betere arbeidsregulering als de zogenaamde ‘automatische stabilisatoren’ de betere Europese prestaties verklaren.

Bron: OECD Employment Outlook 2009

Allereerst hangt de betere (continentaal) Europese prestatie samen met de hogere mate van arbeidsregulering in Europa. Het valt immers op dat landen met een relatief ‘strenge’ arbeidsregulering (zoals Frankrijk en Duitsland) het economisch relatief beter doen. Een betere ontslagbescherming voor werknemers lijkt hierbij de doorslag te geven. Zo zijn er in verschillende Europese landen systemen van zogenaamde ‘tijdelijke werkloosheid’ uitgewerkt (zoals in België en Duitsland), waardoor naakte ontslagen deels worden vermeden. Paul Krugman, Amerikaans macro-econoom, argumenteerde als volgt: “Germany came into the Great Recession with strong employment protection legislation. This has been supplemented with a “short-time work scheme” … These measures didn’t prevent a nasty recession, but Germany got through the recession with remarkably few job losses.”[3] De crisis komt in vele Europese landen dan ook vooral tot uiting door een daling van het aantal gewerkte uren.

Daarnaast zijn er in verschillende Europese landen zogenaamde ‘automatische stabilisatoren’ aan het werk. Automatische stabilisatoren zijn vrij vertaald overheidsuitgaven die ‘automatisch’ (lees: zonder expliciete beslissing door de overheid) de economie ‘stabiliseren’, vooral door beïnvloeding van de economische vraag. In Europa heeft de sociale zekerheid (en dan vooral de werkloosheidsuitkeringen) een stabiliserend effect op de economie. De redenering gaat als volgt: wanneer iemand in Europa zijn job verliest, krijgt hij een werkloosheidsuitkering. Deze uitkering laat hem toe om zijn consumptie min of meer op peil te houden. Doordat deze mensen blijven consumeren, stabiliseert de economie en kunnen meer mensen hun job behouden. In de Verenigde Staten zijn de uitkeringen veel lager en heel vaak streng beperkt in de tijd, waardoor de stabiliserende effecten gering zijn. Een recente studie berekende zo dat 48% van de werkgelegenheidshock in Europa op die manier werd geabsorbeerd, tegen 34% voor de Verenigde Staten. De Europese economische vraag werd eveneens gestimuleerd met 26 tot 35% (afhankelijk van het land)[4].

Deze bijdrage hoopt wat nuances te hebben bijgebracht in het debat over de zogenaamde ‘rigide’ Europese arbeidsmarkten. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt hebben arbeidsregulering en een goede sociale zekerheid veel positieve economische effecten, waardoor de EU de crisis nu beter verteert dan de Verenigde Staten. Critici zullen echter argumenteren dat in goede economische tijden de werkgelegenheid vlugger toeneemt in de Verenigde Staten. Dat klopt, maar eigenlijk komen we hier bij een fundamentele sociaaleconomische vraag: Kiezen we voor een model dat de economische ‘busts’ and ‘booms’ versterkt? (met hogere pieken en scherpere dalen) Of opteren we voor een meer stabiel sociaaleconomisch systeem? Als socialist is de keuze vlug gemaakt.

Deze bijdrage verscheen op 2 april 2010 op Poliargus.

[1] Afkomstig uit een annex bij het Employment Outlook van de OESO (2009). Meer info op: www.oecd.org/employment/outlook

[2] OECD (2009). OECD Employment Outlook. Tackling the Jobs Crisis. Paris: OECD. p. 25.

[3] Column bij the New York Times van 12 november 2009, te vinden op: http://www.nytimes.com/2009/11/13/opinion/13krugman.html?_r=1&em

[4] Dolls, M., Fuest, C. & Peichl, A. (2009). Automatic Stabilizers and Economic Crisis: US vs Europe. CESifo Working Paper Series No. 2878.

Een andere visie op pensioenen en intergenerationele rechtvaardigheid

De toekomst van onze pensioenen staat weer centraal in het politieke debat. Een hele resem pensioenenplannen passeerden de revue. Zo lanceerde CD&V vorige week het idee om voortaan niet meer uit te gaan van een pensioenleeftijd, maar om te rekenen in gewerkte jaren (wat eigenlijk voor een deel nu al het geval is). 45 jaar moet iemand gewerkt hebben om recht te hebben op een volwaardig pensioen[i]. In een land waar de huidige reële arbeidsduur 37 jaar is[ii], is dat een waarlijk revolutionair pleidooi. Langer werken is de constante in nagenoeg alle pensioenplannen. Meestal wordt dat beargumenteerd door te wijzen op de intergenerationele rechtvaardigheid: van de kleine groep op actieve leeftijd kan niet verwacht worden dat ze de volledige last van een steeds ouder wordende bevolking moeten dragen, daarom moet iedereen langer aan de slag blijven. Dit blogstuk argumenteert echter dat sommige argumenten over intergenerationale rechtvaardigheid politiek misbruikt worden. Allereerst wordt gesteld dat jongeren geen belang hebben in een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd in België. Daarnaast wordt ingegaan op enkele veel gehoorde voorstellen die zogezegd in het voordeel zijn van jongeren: 1) vervang het repartitiestelsel deels door een kapitalisatiestelsel; 2) bouw vooral de 2e en 3e pensioenpijler uit om zo eventuele ‘tekorten’ in de wettelijke pensioenen aan te vullen.

Beginnen doen we met de eerste vraag: is een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd (hoger dan 65 jaar) in het belang van de jongere generatie? Veelal wordt ons voorgehouden dat hoe vroeger de ouderen nu op pensioen gaan, hoe kleiner het deel van de koek zal zijn voor de jongere generaties. Een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd is dan ook in het voordeel van de jongere generaties. Er zijn echter ook andere manieren om hier naar te kijken. Op dit moment beginnen in België de zogenaamde ‘babyboomers’ op pensioen te gaan. Heel wat ‘babyboomers’ zullen dus al op pensioen zijn eer een verhoging van de pensioenleeftijd van kracht wordt. Daarnaast zullen ook de jongere generaties langer moeten werken (wat velen van hen over het hoofd zien). Zulke initiatieven zijn dus in de eerste plaats in het nadeel van de jongere generaties.

Een andere stelling is dat jongeren belang hebben bij een andere organisatie van de pensioenen. Aangezien de werkenden nu betalen voor de gepensioneerden van nu, betekent dat een ‘ondragelijke’ last voor de komende generaties werkenden. Het stelsel is nu gebaseerd op ‘repartitie’: de werkenden betalen voor de niet-meer actieven. Sommigen stellen dan ook voor om voortaan meer te werken met zogenaamde ‘kapitalisatie’: iedereen die werkt, spaart extra om zijn wettelijk pensioen aan te vullen. Op die manier zouden dergelijke intergenerationele scheeftrekkingen vermeden worden. Veelal worden dergelijke voorstellen gelinkt aan een groter gewicht voor de 2e en 3e pensioenpijlers (respectievelijk de bedrijfspensioenen en de private pensioenen), die de facto werken volgens het principe van kapitalisatie. Ondanks de bovenstaande populaire opvattingen is er niets meer onrechtvaardig voor de jongere generaties[iii]. Enerzijds wordt van hen verwacht dat ze de huidige pensioenen betalen (via hun RSZ-bijdragen), anderzijds wordt impliciet de boodschap gegeven dat ze toch best zelf sparen voor hun pensioen. Op die manier creëer je feitelijk een dubbele belasting voor de jongere generaties. Want vergis je niet: ook de tweede pijler wordt onrechtstreeks door de werknemer betaald, aangezien het vaak deel uitmaakt van zijn loon. Frank Vandenbroucke stelde zo onlangs dat werknemers in de toekomst zullen moeten kiezen voor of meer loon of voor een beter aanvullend pensioen[iv]. Het repartitiestelsel met nadruk op goede wettelijke pensioenen moet dus centraal blijven.

Waar we in feite nood aan hebben is een soort ‘intergenerationeel pact’, waarbij we aan de jongere generaties vragen om solidair te zijn met de ouderen nu maar waarbij we hen ook een degelijk pensioen kunnen garanderen (zonder daarbij tot hun 70 te moeten werken). Het is hierbij niet de bedoeling om te hervallen in een soort ‘vergrijzingsnegationisme’. De vergrijzing van de bevolking kost geld (naar schatting zeker 3% van het BNP tegen 2030[v]), alleen is een verhoging van wettelijke pensioenleeftijd hiervoor geen rechtvaardige oplossing. Een oplossing voor de vergrijzingproblematiek kan (mogelijk) gezocht worden in een combinatie van: alternatieve financieringsbronnen voor de sociale zekerheid aanboren (inkomsten uit vermogen, die vaak eerder bij de ouderen zitten, zwaarder belasten; alsook hogere indirecte belastingen op luxeproducten), oudere werknemers aan geschikt en passend werk helpen, de rationalisering van kosten (zoals herziening van de financiering van ziekenhuizen, alsook de afschaffing van de fiscale aftrek van het private pensioensparen), een (verstandige) stimulering van de arbeidsmigratie[vi] en het aanleggen van de nodige budgettaire reserves (eens de crisis voorbij moet er gestreefd worden naar een overschot op de begroting).


[i] Het pensioenplan van de CD&V is te lezen op: http://www.cdenv.be/sites/cdenv/files/CDV_Pensioenshervorming.pdf.

Het pensioendebat in de laatste zevende dag valt te herbekijken op: http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/mediatheek/programmas/dezevendedag?view=shortcutDepartment&shortcutView=defaultList

[ii] Een schatting van de lengte van de loopbanen naar cohort vind je in: Mortelmans, D., Vanderweyden, K., Geldhof, D. (2005). Hoe lang werken we, een leven lang?. Over Werk – Tijdschrift van het Steunpunt WAV 15 (2-3), 67-72. http://www.steunpuntwse.be/download/nl/59610/pdf

[iii] Er zijn natuurlijk ook sterke argumenten om te stellen dat de 2e en 3e pensioenpijlers intrinsiek sociaal onrechtvaardig zijn dan de eerste pensioenpijler (zoals de waarschijnlijk groter wordende inkomensongelijkheid).

[iv] Vandenbroucke, F. (2009). Strategische keuzes voor sociaal beleid. http://www.centrumvoorsociaalbeleid.be/docs/20100210164124XYKT.pdf

[v] Een verslag van de ‘Studiecommissie voor de vergrijzing’ van de Hoge Raad voor Financiën is te vinden op: http://www.docufin.fgov.be/intersalgnl/hrfcsf/adviezen/PDF/vergrijzing_2009_06.pdf

[vi] Een artikel over de wenselijke gevolgen van arbeidsmigratie is te vinden op: http://www.roa.unimaas.nl/cv/Coervers/Documenten/Muysken,%20Cörvers,%20Ziesemer%202007%20Kwartaalschrift%20Economie.pdf